Het kiezen van een keuken; Een dure verzameling spaanplaat

Een snobistische gemakszoeker consulteert keukenverkopers die zelf niet koken. Ze kletsen over telescoopgeleiders in laden en natuurstenen aanrechtbladen. Keukens blijken helemaal niet te worden ontworpen om in te koken. Terwijl de belangrijkste vraag bij de aanschaf van een keuken zou moeten zijn: Hoe belangrijk is koken voor u?

Het zevenentwintigste huis dat de makelaar in mijn aandacht aanbeval, was het helemaal. Maar er moest wel een nieuwe keuken in. Niet te duur, efficiënt en eenvoudig. Ik behoor namelijk tot het kwart consumenten dat volgens een onderzoek van het Produktschap Vee, Vlees en Eieren 'gemakszoeker' wordt genoemd. Die 'gemaksconsument' woont in een van de drie grote steden, heeft een baan, eet vaak buitenshuis, heeft in 55 procent van de gevallen een magnetron en leest meer dan gemiddeld NRC Handelsblad. Mijn verdere keukenwensen waren ook overzichtelijk: niet te lelijk graag en niet al te doorsnee. Want behalve een gemakszoeker, ben ik ook nog een snob. Een middagje had ik uitgetrokken voor deze aanschaf. Dat bleek knap onnozel te wezen.

Tal van collega's bleken zich in de materie verdiept te hebben en hun voornaamste boodschap was: het gaat je een schep geld kosten, maar je moet vooral korting bedingen. “Ze vragen wel twintigduizend gulden, maar ik heb er na keihard onderhandelen 20 procent af gekregen”, meldde een man trots. Dat keihard onderhandelen zag ik mezelf nog wel doen, maar twintigduizend gulden - al of niet netto - uitgeven voor een keuken! Daarover had ik ernstige aarzelingen.

Volgens een woordvoerder van de keukenspeciaalzaken geeft de gemiddelde Nederlander inderdaad geen twintigduizend gulden uit voor een nieuwe keuken, maar hebben in 1994 zo'n 170.000 mensen zich voor rond de ƒ 13.500,- een inbouwkeuken aangeschaft. Nu was het verre van hem om te mopperen over een omzet van 2,2 miljard gulden, maar hij wilde er toch wel op wijzen dat de cijfers van de eerste helft van 1995 acht procent lager uitvallen dan die van 1994. Zo botertje tot de boom was het niet meer in de branche.

De meeste Nederlandse mannen mijden de keuken: volgens cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau bracht in 1990 41 procent van de ondervraagde mannen minder dan een kwartier per week door bij het fornuis. Ook keukenverkopers koken niet. Dat was - soms tot hun ergernis - steevast een van mijn eerste vragen. Waarschijnlijk was ik de enige die dat een handicap vond, want overal in de winkel zag ik verkopers geanimeerde gesprekken voeren. Met echtparen, dat wel. En vooral de mannen voerden het hoogste woord. Over kortingen waarschijnlijk.

Over koken was met die verkopers nauwelijks een woord te wisselen, maar wel over kastjes en laden met telescoop-geleiders en slimme lade-indelingen en natuurstenen aanrechtbladen. In keukencentra gaat het niet over koken, gaat het niet over ergonomie, niet over efficiency. Inbouwkeukens gaan over 'mooi', moeten mensen de illusie geven dat ze de boel voor elkaar hebben, dat het beste niet goed genoeg is voor het gezin. De keuken als hoeksteen. Misschien was dat ook de reden dat de meeste keukencentra mij als vrouw alleen niet zo serieus namen. Bij Brugman maakte men het helemaal bar: bij het noteren van mijn wensenlijstje kwam de verkoper erachter dat ik nauwelijks apparaten nodig had (“Daar verdienen ze extra op”, verzekerde een insider mij), en niet meer dan maximaal vijfduizend gulden wenste te besteden. Binnen tien minuten werkte hij mij de deur uit. Met een kleurige folder, maar een prijslijst kreeg ik niet: “Daar begrijpt u toch niets van.”

Verbluft ging ik naar een van zijn buren, Top-keukens. Daar werd ik vriendelijk te woord gestaan, maar de verkoper voegde mij vaderlijk toe dat alle waar naar zijn geld is, toen hij de hoogte van mijn budget vernam. Natuurlijk kon hij me helpen voor dat bedrag, hij verkocht dat soort keukens ook wel en “natuurlijk had ik garantie”, maar ik moest toch wel bedenken dat ik als vrouw waarschijnlijk behoorlijk wat tijd in de keuken doorbracht en wat maakten dan die paar duizend gulden uit? Ik moest er nog maar eens over denken, de juiste maten opnemen bij mij thuis en dan zou hij een tekening voor me maken.

Met een vriendin ben ik naar een toonzaal van SieMatic geweest. Ik heb daar niets gevraagd: ik was te geïntimideerd geloof ik. Het glom er prachtig en wat schoven die laden soepel! En de zogenaamde 'nostalgische' keukens sterkten mij in mijn vermoeden dat keukenfabrikanten het gezin hoog in het vaandel hebben staan. Bij SieMatic hoorde ik van de mogelijkheid om een keuken te leasen. De Consumentenbond velt daarover echter het onverbiddelijke oordeel: te duur.

Op advies van mijn aannemer stak ik mijn licht ook op bij De Boo in Utrecht. Leveranciers van tegels, sanitair, keukens en andere bouwmaterialen. Deze zaak moet het niet hebben van het individuele echtpaar - laat staan van de alleenstaande snob - maar van bouwondernemers, omdat ze voornamelijk leveren aan bouwprojecten. Over kortingen is in dat soort zaken meestal niet te praten, daarover heeft men al afspraken met de 'echte' klanten, de aannemers. Als een particulier daar een keuken uitzoekt, heeft het wel zin met de aannemer te onderhandelen over het delen van de korting. Hoewel ik niet tot de doelgroep behoorde en ook vertelde voor een krant te werken, kreeg ik daar het meest openhartig antwoord op mijn vragen. De verkoper bevestigde dat al die kastjes, of het nu een model van ƒ 350,- betrof van het Nederlandse Bruynzeel of een twee keer zo duur exemplaar van het Duitse merk Poggenpohl, één belangrijk ding gemeen hebben: ze zijn gemaakt van spaanplaat. Prachtig gespoten soms, afgewerkt met mooie profielen, maar niettemin spaanplaat. “En ik kan best begrijpen dat iemand zegt dat hij het verschil alleen ziet als hij er met zijn neus bovenop staat.” En natuurlijk had ik gelijk: de hoogglanzend gespoten planken in dat pronkstuk van zeventigduizend gulden waren niet echt praktisch. Maar ik moest wel even kijken naar een kast die na een lichte druk op een voetpedaal geruisloos naar voren schoof (Poggenpohl, ƒ 3000,-); ik was er oprecht van onder de indruk. Hij wees er ook op dat iedere afzuigschouw herrie maakt en dat je eigenlijk beter af bent met een houten variant. “Heeft u geen handige man, mevrouw?”, want te koop zijn die dingen niet. “Behalve bij een enkele Duitse fabrikant, niet om aan te zien.”

Mijn laatste toevlucht: de heer Van Vliet. Niet alleen architect, maar ook kok. Ontwerper en leverancier van professionele keukens. Bekend en gevreesd in het culi-wereldje, want Van Vliet is een gepassioneerd koker, weet waarover hij het heeft en staat erop dat tot in de finesses uit te leggen. Toen ik hem vroeg waaraan een keuken volgens hem moest voldoen, zuchtte hij diep en stelde vervolgens de enige juiste vraag: hoe belangrijk was koken voor mij? Kon ik het goed, had ik er plezier in of was het een werk dat nu eenmaal gedaan moest worden? Was ik dol op vlees en groente of was ik meer een liefhebber van de 'koude keuken'? Was ik een type dat graag 'mooie gerechten' maakte of ontleende ik meer bevrediging aan het in de lucht gooien van een pannekoek? Het een was niet slechter of beter dan het ander, maar bij het samenstellen van een keuken moest je daar wel rekening mee houden.

“Een keuken is een werkplaats en zoals in iedere werkplaats moet daar een strikte orde heersen. Koken betekent organiseren en de keuken moet dat proces ondersteunen. Maar omdat mensen niet weten wat koken is, kopen ze een verzameling kastjes en laden en verbergen daar hun chaos achter. Een kok wil alles onder handbereik op een vaste plaats hebben. Maar dat betekent natuurlijk wel dat je veel aandacht moet besteden aan goede afzuiging; anders worden al je spullen vet en kun je eens in het jaar de schilder laten komen.”

Met afschuw praat hij over messenblokken. “Een broedplaats van bacteriën, maar afgezien daarvan, de hele gedachte erachter deugt niet. Je legt een mes neer op de plaats waar je het nodig hebt en een broodmes heb je op een andere plaats nodig dan je vleesmes. Tenminste, zo hoor je dat georganiseerd te hebben.” Van Vliet vraagt zich af waarom mensen zoveel geld uitgeven voor dure machines en dure keukenfronten en bezuinigen op zoiets belangrijks als koeling. “Als je de hele week werkt, kun je niet volstaan met één keer per week boodschappen doen als je geen professionele ijskast hebt. Maar die kopen mensen niet: ze geven liever het dubbele uit aan een tweedeursgeval, dat à la minute ijsblokjes levert.” Van Vliet maakt zich geen illusies: keukens worden helemaal niet ontworpen en gekocht om in te koken. Het is een statussymbool en hoe duurder en groter de keuken, hoe hoger de rekeningen van de traiteur. “Neemt u dat maar van mij aan, mevrouw!”

Na de lessen van Van Vliet, heb ik helemaal geen zin meer in een 'droomkeuken'. Ik bel Lundia. De man aan de telefoon legt uit dat hij geen keukens heeft, alleen degelijke houten stellingen en planken. “Maar daar kan ik toch wel een keuken van samenstellen, ik wil namelijk niet hetzelfde als iedereen.” De man aarzelt niet: “Aha, mevrouw is een snob.”

Eindelijk begrip en met de aannemer breng ik een uur zoek in de winkel, waar we alles voor ons laten uittekenen. En bestellen voor vierduizend gulden een verzameling echt hout in plaats van spaanplaat. Maar al gauw blijkt dat de standaard-aanrechtbladen niet passen en ik dus maatwerk nodig heb. Dan maar natuursteen en zo kost mijn individuele keuken me toch nog een hoop geld.

En een wonder van efficiëntie is het eerlijk gezegd ook niet. Maar wel geverfd in precies de kleur Provencaals blauw die ik in mijn hoofd had. En dat kon zelfs de duurste Italiaanse fabrikant me niet leveren. Blij zijn met een keuken vanwege de kleur. Laat Van Vliet het niet horen.

    • Gemma Naninck