Hela, gij bloempje!

Twee jaar geleden is voor deze rubriek een kort onderzoek verricht naar de samenstelling van de Nederlandse warme maaltijd, althans naar de geschiedenis daarvan. Een onverwachte uitkomst was dat zoiets als vermicelli hier pas rond 1900 verscheen. De sliertjes zijn geïntroduceerd door welwillende mevrouwen die meenden dat soep zonder vermicelli geen evenwichtige voeding kon zijn. Later is komen vast te staan dat ook de zogeheten 'balletjes' pas heel recent opdoken. Klassieke bestanddelen van de Nederlandse burgerpot blijken nog geen eeuw oud.

Zoals dat gaat als men maar vaak genoeg gedwongen wordt 'Olifantje in het bos' te zingen op een melodie die tot voor kort alleen voor 'Altijd is Kortjakje ziek' gereserveerd leek (of 'Op een klein stationnetje' waar dat volgens eigen herinnering juist 'Op een grote paddestoel' moest zijn) kwam de afgelopen weken de wens op eens na te gaan hoe het in dit opzicht met de kinderversjes is gesteld. Het soort versjes dat men voorzingt aan afnemers in de leeftijd tussen twee en zes.

Slaap kindje slaap, klein klein kleutertje, schuitje varen theetje drinken, zeven kikkertjes, rije rije rije in een wagentje, torentje bussekruit, twee emmertjes water halen, het groene knollenland: zijn dat de oeroude teksten waarvoor iedereen ze houdt of zitten er net zo goed rare nieuwkomers tussen?

Aan boeken met kinderversjes, kinderrijmpjes en kinderliedjes is geen gebrek. De ramsj-partijen meegeteld zijn er op dit moment zeker wel tien verschillende verzamelingen met versjes te koop voor prijzen die zo laag liggen dat het de moeite loont ze in een keer allemaal te kopen. Zo komt het snelst in beeld waar de kansen en problemen bij het onderzoek aan kinderversjes liggen.

Het blijkt dat er liedjes en versjes zijn die in àlle bundels voorkomen terwijl toch niemand ze meer kent of zingt ('Tiereliere let let', 'Daar komt Pauwel Jonas aan', 'Roe roe kindje') en omgekeerd, heel gangbare liedjes die nergens in zijn opgenomen. Zoals 'In de maneschijn klom ik op een trapje naar je raamkozijn'. Of 'Klap eens in je handjes blij blij blij'.

We leiden eruit af dat de meeste verzamelaars eenvoudigweg bestaande bundels plunderen en zich het hoofd niet breken over de huidige bekendheid van de liedjes of over de tekstvariant die tegenwoordig gangbaar is. Bronvermeldingen zijn hoogst zeldzaam. Liever concentreert men zich op originele illustraties, soms worden zelfs die glashard uit oud werk overgenomen.

Er is één opvallende uitzondering: de verzameling 'Alles in de wind' van C.J. Aarts en M.C. van Etten (Bert Bakker, 1993). Geen plaatjes maar juist zoveel mogelijk bronvermelding, soms varianten van eenzelfde tekst en een moedige poging om enige chronologie aan te brengen. De auteurs hebben zwaar gesteund op het Nederlands Volksliedarchief van het P.J. Meertens-instituut in Amsterdam.

Op veel vragen geven Aarts en Van Etten in hun inleiding het antwoord, maar erg veel blijft ook liggen. Het grootste gemis is dat de melodie onbehandeld bleef en dat een rubricering van de liedjes naar aard en gebruik niet plaats vond. Melodie en ritme geven vaak al uitsluitsel over het gebruik van een liedjes: is het een slaapliedje, een aftelliedjed, wordt het gebrukt bij touwtjespringen of bij een specifiek spel, zoals bij 'Zakdoekje leggen' en 'Schipper mag ik overvaren'.

Voor de datering van de liedjes is behoedzaam afgegaan op de verschijningsdatum van de oudste bundels waarin ze werden aangetroffen. Met deze methode blijken maar weinig liedjes met zekerheid terug te voeren tot de periode voor 1800, eenvoudigweg omdat men de liedjes voor die tijd niet registreerde.

Wat de 'bedachte' kinderversjes betreft staat de negentiende eeuw zwaar onder invloed van ijver en vaderlandsliefde van J.P. Heye en, in mindere mate, van J.J.A. Goeverneur. Rond 1900 verschijnen de welwillende mevrouwen van het soort Rie Cramer die bestaande liedjes rationaliseren of kuisen, ook zelf lieve liedjes gaan maken en buitenlandse liedjes vertalen (zoals 'Drie kleine kleutertjes'). Wie 'Alles in de wind' een paar keer doorbladert leert de bedachte en de mondeling overgeleverde, anonieme versjes net zo makkelijk van elkaar onderscheiden als de sprookjes van Andersen van die van Grimm. Het is zo klaar als een klontje dat 'Kom mee naar buiten allemaal' en 'Ik zag twee beren' bedachte liedjes zijn, ook al konden Aarts en Van Etten de auteur niet vinden.

Wat de anonieme versjes betreft rekenen Aarts en Van Etten 'Klein klein kleutertje', 'Slaap kindje slaap' en 'In Den Haag daar woont een graaf' tot de oudste versjes. De kwezelkes, patertjes, herdertjes en het-wuf-dat-spon die zij daar ook onder brengen vallen misschien niet helemaal onder de kinderliedjes. Hun bestand lijkt een beetje vervuild.

Juist de anonieme liedjes zijn natuurlijk moeilijk te dateren en de vraag is dus wat er überhaupt aan mogelijkheden is om enige ordening aan te brengen. Interessant genoeg worden maar zelden historische gebeurtenissen beschreven: er zijn alleen de Pruis en de Fransen (1787 en 1793) van 'Hop Marjanneke' en Jan Huygen en zijn ton, wat blijkt te slaan op Jan Huyghen van Linschoten (1596) - documentaliste Anne Houk de Jong van het Meertens-instituut had dat zo in de computer zitten. Jan van Gijzen en Berend Botje zijn geen historische figuren. Waar het 'Torentje bussekruit' stond weet niemand.

Enig houvast komt er verder van de moderniteiten en neologismen. Waar stoomboot, keukenfornuis, bad, stationnetje, jampot (likkelikkelik), blik, paraplu en parasol genoemd worden is zeker sprake van een tamelijk moderne tekst. Anderzijds wijst het bestaan van veel varianten op éénzelfde grondtekst op een hoge ouderdom.

Tamelijk nieuw, om precies te zijn een dag oud, is de gedachte om de leeftijd van versjes af te leiden uit de aard van het daarin opgevoerde voedsel. AW-idee! Keiharde resultaten zijn nog niet voorhanden, wel een intrigerende constatering: de versjes lopen over van pap, koek en pannekoek maar zwijgen in alle talen over fruit en verse groente. En over soep.

    • Karel Knip