Handel met Duitsland groeit

DEN HAAG, 26 OKT. De waarde van het Nederlands-Duitse handelsverkeer is vorig jaar uitgekomen op 102 miljard mark. Dat is 3 procent hoger dan in 1993. De groei zat in de invoer uit Duitsland. De export naar onze buur bleef -mede door lagere aardsgasafzet- gelijk. Andere landen exporteerden wel meer naar Duitsland. Over de eerste zes maanden van dit jaar groeit echter ook de totale export sterk.

Dat heeft voorzitter K. Rösener van de Nederlands-Duitse Kamer van Koophandel donderdag tijdens een persconferentie in Den Haag gezegd. Het herstel is te danken aan de opgaande en aanhoudende conjunctuur, en de daarmee samenhangende vraag naar investeringsgoederen.

Nederland voerde voor 50,1 miljard mark uit naar Duitsland, vrijwel evenveel als in 1993. De Nederlandse export dekte in 1994 8 procent van de Duitse invoerbehoefte (1993 9; 1992 10 procent). Het is echter niet zo dat ons land helemaal niet profiteerde van de sterk gegroeide vraag van Duitsland. Alle produktgroepen op één na - energiedragers zoals bij voorbeeld aardgas - lieten een groei zien. Op het gebied van eind- en voorprodukten benutte Nederland de Duitse importvraag volledig.

Duitsland betaalde niet alleen minder voor zijn aardgas door de lagere dollarkoers, maar betrok ook gas in andere, goedkopere landen. In waarde daalde de post Energieprodukten (ook aardolie- en produkten) met ruim 19 procent tot 9,16 miljard gulden (18 procent van de totale export naar Duitsland). In volume daalde de uitvoer in deze categorie met 15 procent.

De Nederlandse landbouw leed nog steeds onder het slechte imago van de tomaat bij het Duitse winkelend publiek. Spanje is nu marktleider voor tomaten, wat het naast de negatieve beeldvorming over de Nederlandse groente deels ook aan de goedkope peseta dankt.

De landbouwexport vertoonde toch groei doordat Nederlandse handelshuizen groenten uit derde landen op de Duitse markt brachten. “Frau Antje” bleef het goed doen en zette 2 procent meer Käse aus Holland af.

De waarde van de Duitse leveranties aan Nederland groeide - bij gelijke prijzen - het afgelopen jaar met 7 procent tot 51,4 miljard mark. Hiermee bleef 8 procent van de Duitse export bestemd voor ons land.

Nederland voert voornamelijk investeringsgoederen (machines) in uit Duitsland. Het beeld in de sector machinebouw was wisselend. De invoer van chemische produkten - de belangrijkste produktgroep - vertoonde een flinke stijging. De invoer van auto's kwam de inzinking van voorgaande jaren geheel te boven en Duitse autofabrikanten zagen hun marktaandeel groeien van 30 tot 33 procent, waarbij alle merken 20 procent of meer afzetten.

De Nederlandse export is dit jaar aan een inhaalrace begonnen en groeide over de eerste zes maanden met 14 procent tot 26,6 miljard mark. Dit is des te opmerkelijker omdat EU-landen met munten die in waarde zijn gedaald (Italië, Spanje en Groot-Brittannië) in het voordeel zijn. De invoer nam met 10 procent toe tot 26,7 miljard mark.

De Kamer van Koophandel waarschuwt ervoor dat de sterke mark en gulden de onderlinge handel weliswaar niet duurder maken, maar de concurrentie met produkten uit goedkopere landen wel verscherpen. Dit kan er toe leiden dat exporteurs met minder winst genoegen nemen, wat de verdere groei van het onderlinge handelsverkeer onder druk kan zetten.

Duitsland was in 1994 Nederlands belangrijkste handelspartner. Omgekeerd zakte Nederland op de ranglijst van Duitslands belangrijkste handelspartners van de tweede naar de derde plaats, en moest Frankrijk en Italië voorlaten.

Bij het afzonderlijk bekijken van in- en uitvoer, zakte Nederland in beide gevallen een plaats. Het was in 1994 de derde leverancier van Duitsland en de vijfde afzetmarkt voor Duitse produkten.

Tegenover een gelijkblijvende Nederlandse export naar Duitsland, stond een sterke groei van de (in mark kleinere) Britse en Belgische export. De Spaanse export groeide met 16 procent tot 17 miljard mark. Over de eerste zes maanden van dit jaar bedroeg de Spaanse groei zelfs 26 procent, en de Belgische 22. Nederland scoort met 14 procent in lijn met Italië en Groot-Brittannië, maar hoger dan Frankrijk (plus 9).