Geen aanwijzing voor kanker door IVF-behandeling

Een Australisch onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat het gebruik van hormonen om de eisprong te stimuleren het risico op kanker verhoogt (Lancet, 14 oktober). De afgelopen jaren waren er enkele onderzoeken gepubliceerd die een dergelijk verband suggereerden. Zo bleek vorig jaar uit een Amerikaans artikel dat onder vrouwen die een eisprongstimulatie hadden ondergaan 2,3 keer zo vaak ovariumkanker voorkwam. Ovariumkanker is echter een zeer zeldzame vorm van kanker; in absolute getallen ging het in dit groot opgezette onderzoek onder 3800 vrouwen om slechts 11 gevallen van ovariumkanker. Toch hebben dit soort observaties geresulteerd in bezorgdheid over de lange termijneffecten van eisprongstimulatie, zoals die bijvoorbeeld wordt toegepast bij in-vitro-fertilisatie (IVF).

Bij het nieuwe onderzoek in Australië ging het om ruim 10.000 vrouwen uit de stad Melbourne, die tussen 1978 en 1992 wegens onvruchtbaarheid de plaatselijke IVF-kliniek hadden bezocht. Iets meer dan de helft van deze vrouwen was behandeld met eisprongstimulerende hormonen, zoals clomifeen of humaan-menopausaal-gonadotrofine. In de meeste gevallen ging het om minder dan drie cycli. De andere helft van de vrouwen was niet met dergelijke hormonen behandeld, bijvoorbeeld omdat ze spontaan zwanger waren geworden of omdat bij hen een eicel via de natuurlijke weg was verkregen. Deze vrouwen fungeerden in het onderzoek als controlegroep. Nu, gemiddeld 5 jaar nadien (uitersten 1 en 15 jaar) hebben de onderzoekers via regionale en nationale kankerregisters uitgezocht hoeveel van deze 10.000 vrouwen inmiddels kanker hebben gekregen. Slechts 6 van hen bleken ovariumkanker te hebben, in beide groepen 3. Verder stonden er 34 gevallen van invasieve borstkanker geregistreerd, 16 in de groep die met hormonen behandeld was en 18 in de controlegroep. Het Australische onderzoek levert dus geen enkele aanwijzing dat eisprongstimulatie met hormonen vaker tot kanker leidt.

Bij hun resultaten tekenen de Australiërs wel aan dat het aantal gevallen van ovariumkanker bijzonder klein was, zodat daar nauwelijks een conclusie uit getrokken kan worden. Bovendien was de duur van het onderzoek nog betrekkelijk kort; kanker komt immers vaak zeer langzaam tot ontwikkeling. Een definitieve conclusie kan dus pas getrokken worden als de vrouwen vele jaren langer gevolgd zijn.

    • Bart Meijer van Putten