Erasmus en antibiotica

Radar 96. Stand van zaken in de wetenschap. Geïll., 456 blz., Aramith 1995. Prijs: ƒ 35,-. ISBN 90 6834 167 7

Eerst het goede nieuws: Radar 96, het tweede jaarboek met 'verstand van zaken' in de wetenschap, is beter vormgegeven dan de editie van vorig jaar. De saaie indeling in kolommen is vervallen, er is gebruik gemaakt van een mooiere letter, de foto's zijn scherper en contrastrijker, de stokpaardjes hebben pit en het geheel is verlucht met acht tekeningen van Frank Dam.

Daar staat tegenover dat de nieuwe Radar veertig bladzijden dikker is dan vorig jaar - waar een halvering voor de hand had gelegen. 'Voor onze lezers is kennis alleen de moeite van het verwerven waard, wanneer zij door de vakmensen niet buitenspel worden geplaatst', schrijft de redactie in een 'Aan de lezer'. Had zij de daad bij het woord gevoegd, was de helft van de nu geplaatste artikelen aan de auteurs geretourneerd met het verzoek de basisprincipes van de pop.wet.-kunde alsnog te respecteren.

Welke die principes zijn, is genoegzaam bekend. Kort samengevat: mijd een doceertoon en hoed u voor collegeklappertaal, zorg voor een heldere compositie en een spanningsboog, lok de lezer het verhaal binnen, hanteer geen jargon maar sprankelend Nederlands en bedenk dat een artikel pas een pop.wet.-artikel mag heten als de illustraties raak zijn.

Toegegeven, de wetenschapsjournalist helpt de wetenschap geen millimeter vooruit, maar hij heeft wel door vallen en opstaan bovenstaande principes leren toepassen. Onderzoekers hebben daar geen tijd voor, die moeten publiceren en om bij vakgenoten serieus over te komen doen ze dat ieder in hun hermetische onderzoekstaaltje. Natuurlijk schuilt er pop.wet.-talent onder topwetenschappers - de astronoom E.P.J. van den Heuvel, de wiskundige Jan van de Craats, de maritiem archeoloog Fik Meijer - maar je moet ze met een lampje zoeken en als Radar pretendeert elk jaar met dertig nieuwe voor de dag te kunnen komen, vernachelt het de lezer.

Wat moet die lezer met een hagiografisch stuk over Catharine van Tussenbroeks medisch feminisme? Met een oersaai geschreven en bloedeloos geïllustreerd artikel over enkel-elektron effecten, slechts toegankelijk voor de ingewijde? Met een gortdroog traktaat vol bureaucratenpraat over functiewaardering en het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen? Met quasi-diepzinnig architectuurgezwatel over de Hollandse metropool, zo afstotelijk dat Gerrit Komrij er nog van zal opkijken? Met een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen van dit jaar dat geen melding maakt van het dichten van het gat in de Laatste stelling van Fermat en dat ook de exotische ontdekking van de Bose-Einstein condensatie negeert? Met een Radar 96 die de Nobelprijzen van '95 niet vermeldt?

Het antwoord is: niet opgeven maar doorbladeren. De andere helft van Radar 96 is wel de moeite waard, met stukken die de lezer prikkelen. Tot die helft behoort een handvol wetenschapsjournalisten en Van de Craats cum suis, maar er zijn ook academische verrassingen. Dat Fik Meijer boeiend over de bouw van oorlogschepen in de Griekse oudheid kan vertellen is geen nieuws, en dat geldt ook voor de helderheid waarmee Ernst van de Wetering over geelsluier en nadonkering bij Rembrandt schrijft. Maar Jan Verhoef over infectieziekten die antibiotica te slim af zijn, en Hans Trapman over de uitgave van de Opera omnis (verzamelde werken) van Eramus: dat wist nog niet iedereen.

Verhoef gaat in op de antibiotica-race die medische onderzoekers voeren. Pneumococcen, die longontsteking en nekkramp veroorzaken, of de stafylococcen achter wondinfecties en steenpuisten: op het Iberisch schiereiland en in het Oostblok hebben sommige van deze bacteriën maling aan penicilline en de situatie is al zo erg dat Time zich vorig jaar op de cover de vraag stelde: 'End of miracle drug?' Dat het in Nederland tot nu toe meevalt, zit hem in de doeltreffende hygiënische maatregelen, het opsporen van dragers, het isoleren van patiënten (de slachtoffers van de vliegramp in Faro bleken na ontslag uit de Portugese ziekenhuizen besmet met resistente bacteriën en moesten in Nederland in quarantaine) en niet te vergeten in de terughoudendheid bij het voorschrijven van antibiotica. Of die gunstige situatie valt te handhaven, is de grote vraag.

De mooiste opmerking is van Trapman, secretaris van de Conseil international pour l'édition des oeuvres complètes d'Erasme. Zijn Radarbijdrage heeft als apotheose het volstrekt onverwacht opduiken van een door Erasmus zelf geannoteerde Adagia (spreekwoorden). Dat was in 1989, juist nadat de betreffende delen van de Opera omnia in hun 'definitieve' editie het licht hadden gezien. Een medewerker van de Vaticaanse bibliotheek, die over zijn vondst al in 1953 op het Nederlands Instituut in Rome een lezing had gegeven, was na veertig jaar 'rijping' tot publikatie overgegaan, dankbaar profiterend van de intussen in Amsterdam verschenen nieuwe edities. Trapman: 'Van deze mededelingen is aan deze zijde van de Alpen met enig tandengeknars kennis genomen.'

Conclusie: laat de redactie volgend jaar eens een strenge selectie toepassen. Voorzie de aldus uitgedunde bundel van illustraties in kleur. En laat het mooie verhaal van de onderzoeker die niet schrijven kan, vertellen door een wetenschapsjournalist.

    • Dirk van Delft