De geur van dinges

Voor het reukvermogen, het onderscheiden van diverse geuren en het onthouden ervan zijn nu bruikbare tests ontwikkeld. Het geurgeheugen blijkt onafhankelijk van verbale en visuele associaties te functioneren.

Mensen met geheugenstoornissen vergeten niet alleen namen, gezichten en gebeurtenissen, maar ook geuren. Dat valt niet zo op en dat is jammer, want geurgeheugenverlies is mogelijk een van de eerste aanwijzingen voor de ziekte van Alzheimer. Ook bij andere neuropsychiatrische stoornissen, zoals de ziekte van Korsakoff, de ziekte van Parkinson, schizofrenie, multipele sclerose, en depressiviteit, lijkt het slechter onthouden van geuren een rol te spelen.

Er was dan ook behoefte aan een goede diagnostische test voor geurgeheugen. Zo'n testbatterij, bestaande uit drie 'geurtaken', is nu samengesteld en verfijnd door dr. Hilleke Hulshoff Pol, die onlangs in Utrecht aan de vakgroep Psychiatrie promoveerde op geheugenprocessen in de frontale kwab van de menselijke hersenen. Met deze geurtaken valt te meten hoe goed iemand ruikt, hoe goed hij verschillende geuren van elkaar kan onderscheiden, en hoe goed hij een eenmaal geroken geur kan onthouden en herkennen. Deze processen blijken (bij jonge, gezonde en niet verkouden proefpersonen) niet alleen onafhankelijk te zijn van elkaar, maar ook in grote mate van verbale en visuele geheugenprocessen.

Hulshoff Pol heeft dat uitgezocht met behulp van een indrukwekkend arsenaal aan geurtjes die allemaal kant en klaar worden gemaakt bij de geurstoffen-fabriek. Eerst bepaalde ze het reukvermogen van haar proefpersonen met het subtiele bloemenaroma van fenyl-ethyl alcohol (PEA). Wie er niet in slaagde om vier maal achtereen uit een reeks van zestien paar flesjes (waarvan het ene steeds hogere PEA opgelost in reukloze olie bevatte, het andere alleen de olie) het juiste flesje aan te wijzen, leed kennelijk aan een reukgebrek en werd bij de statistische analyse van de overige tests buiten beschouwing gelaten.

Het vermogen om verschillende geuren van elkaar te onderscheiden - zonder ze een naam te geven, want daarbij is het verbale geheugen betrokken en dat kan bij vroege dementie ook al zijn aangetast - werd getest met behulp van acht vage, moeilijk te omschrijven geurtjes. De proefpersoon kreeg steeds drie flesjes te ruiken, waarvan er twee hetzelfde roken. Het afwijkende geurtje moesten ze eruit pikken.

De geur-geheugentest bestond uit een rondje proefruiken aan flesjes met tien bekende geuren (waaronder motteballen, citroen en ui) die vervolgens herkend moesten worden in een reeks waarin ze met tien andere luchtjes (waaronder kamfer, sinaasappel en knoflook) werden afgewisseld. Al deze tests meten alleen de bewuste werking van het geurgeheugen, terwijl aan ruiken nu juist een hele sterke onbewuste component kleeft. Hulshoff Pol vroeg zich af of een eenmaal geroken geur misschien onbewust als referentie wordt gebruikt voor nieuwe geurwaarnemingen. Voor verbale en visuele informatie bestaat er wel degelijk zo'n zelfstandig functionerend impliciet geheugen, dat vaak nog intact is bij mensen bij wie het expliciete (bewuste) geheugen allerbelabberdst presteert.

Hulshoff Pol verzon zelf een testprocedure die bij haar proefpersonen de waarneming van sinaasappelgeurintensiteit moest beïnvloeden. Het werkte gedeeltelijk: mensen bleken de sterkte van die geur hoger in te schatten als ze een klein half uur eerder, in een test die er voor zover zij wisten niets mee te maken had, een hele lage concentratie van dezelfde sinaasappelgeur onder hun neus hadden gekregen. Een hoge concentratie vooraf leidde daarentegen niet tot onderschatting van de latere geurstimulus.

Vermoedelijk betreft het hier geen adaptatie van de reukzintuigcellen (daarvoor is de periode van vijfentwintig minuten te lang), maar van een proces in het centrale zenuwstelsel waarbij een geurherinnering onbewust de latere geurwaarneming vertekent. Hulshoff Pol heeft haar reuktesten ook laten uitvoeren door zeven patiënten met een beschadigde frontaalkwab. Een kleine groep die nog kleiner werd doordat bij één patiënt de geurdetectie niet gemeten kon worden omdat hij de inhoud van de flesjes niet vertrouwde, en bij enkele anderen de testprocedure wegens vermoeidheid aanzienlijk is ingekort. Van de overgeblevenen was het vermogen tot geurdetectie en hun geurherinnering in orde, maar vergeleken met de controlegroep bleek hun geuronderscheidingsvermogen aan de zwakke kant.

Dat klinkt vreemd. Voor het herinneren van een geur is immers geuronderscheidingsvermogen nodig? Hulshof Pol vermoedt dat de oorzaak van deze paradox in het type geur ligt dat voor de verschillende tests gebruikt wordt. Geuronderscheiding wordt gemeten met 'vage' geuren, de geurgeheugentest werkt met beter benoembare huis-tuin-en-keuken geuren zoals knoflook en pepermunt. Dat kan de herinnering helpen vasthouden, zelfs al blijkt uit ander onderzoek dat ook gezonde mensen het nog steeds bar moeilijk vinden om buiten de gebruikelijke context zo'n bekende geur thuis te brengen.