'Alleen als Mao opstaat krijgt China weer honger'

PEKING, 26 OKT. Chinezen eten meer en lekkerder. Zoveel is wel duidelijk na jaren van economische groei. 's Ochtends een eitje, 's middags een biertje en veel varkensvlees, kip en vis en 's avonds.... een biertje en veel varkensvlees, kip en vis. Het is een menu dat steeds meer Chinezen zich kunnen veroorloven. Rijst laten zij het liefst staan. Maar de vraagt dient zich aan, waar haalt China zijn grondstoffen vandaan? Want een dergelijke verandering in eetgewoontes vergt een veel grotere hoeveelheid tarwe en maïs en die kan het land mogelijk niet zelf produceren.

Tot voor kort was dit een non-vraag in China. Het land, met al eeuwenlang de grootste bevolking ter wereld, was altijd gewend zichzelf te voeden. En als de voedselproduktie tegenzat, zoals aan het einde van de jaren vijftig, dan werd importeren toch niet overwogen, de mensen stierven gewoon van de honger. Die ervaring, de hongersnood van 1959-1962 waarbij meer dan twintig miljoen mensen omkwamen, heeft zeker indruk gemaakt op de leiders van China die het stuk voor stuk persoonlijk hebben mee gemaakt.

Vandaar ook dat de huidige regering in eerste instantie geërgerd en afkeurend, maar daarna behoedzaam en geïnteresseerd reageerde toen vorig jaar een Amerikaanse voedselspecialist, Lester Brown, een rapport schreef waarin hij stelt dat China bij de huidige snelheid van de economische groei (de afgelopen vier jaar meer dan tien procent) in de toekomst zoveel graan zal moeten importeren, dat de volledige internationale graanvoorraad uitgeput zal raken.

Het rapport van Brown, 'Who will feed China? Wake-up call for a small planet', houdt nog steeds de gemoederen bezig in China, en ook deze week stonden tal van artikelen in de Chinese kranten over het voedselprobleem in China. De media zijn het er alle over eens dat importeren slechts een kwestie zal zijn van minimale aanvulling en dat China zelf verantwoordelijk is voor de benodigde hoeveelheid graan. Waarover echter veel verschillen van mening bestaan, is de vraag hoe China dat gaat aanpakken.

Brown, voorzitter van het Worldwatch Institute, een Amerikaanse organisatie die zich bezighoudt met onderzoek naar milieuproblematiek, veroorzaakte vorig jaar een storm van reacties, niet alleen in China, ook daarbuiten. Het vooruitzicht dat hij in zijn studie schetste, klonk zeer alarmerend. Want, stelde Brown, was het niet dat China binnen twee jaar tijd van een graanexporteur, op Japan na, 's werelds grootste importeur was geworden? Brown was naar eigen zeggen zo overdonderd door dat gegeven, dat hij begon te onderzoeken wat dat zou betekenen op de lange termijn.

Als de trend van de afgelopen jaren zou doorzetten - door een inkomensstijging zijn de Chinezen meer graanhoudende produkten zoals varkensvlees, vis (uit kweekvijvers), kip, bier en eieren gaan consumeren - dan zou China in het jaar 2030 ruim 200 miljoen ton graan moeten importeren, aldus Brown. Dat is 185 miljoen ton meer dan nu en ongeveer gelijk aan de totale hoeveelheid graan die de graanproducerende landen dit jaar hebben geëxporteerd.

“Meneer Brown heeft een gevoelige snaar geraakt bij de Chinese leiders, zoveel is zeker, maar zijn berekeningen zijn op z'n minst gezegd ietwat overdreven”, zegt Song Guoqing van het Chinese centrum voor economisch onderzoek aan de Universiteit van Peking. “China zal de eerst komende jaren nooit meer dan tussen de tien en twintig miljoen ton graan per jaar importeren. Dat komt omdat de agrarische produktiviteit in China, in tegenstelling tot de voorspellingen van Brown, snel zal toenemen”, aldus Song. “Er zijn altijd wetenschappers zoals Brown die publiceren zodra het enigszins dramatisch klinkt.”

Die mening wordt gedeeld door Nicos Alexandratos van de landbouworganisatie van de Verenigde Naties, FAO, in Rome. Alexandratos, hoofd van de afdeling Global perspective studies, heeft weinig waardering voor de bevindingen van Brown. “Hij gaat er in zijn rapport van uit dat het consumptiepatroon in China gelijk zal worden aan dat van Europa. Dat zal echter nog vele jaren op zich laten wachten”, aldus Alexandratos, die op persoonlijke titel spreekt.

“Bovendien beweert Brown dat China's agrarische produktie zal terugvallen en dat de hoeveelheid beschikbare landbouwgrond door de verstedelijking en de bevolkingsgroei schrikbarend zal afnemen. Dat vooruitzicht is in beide gevallen te negatief.” Volgens Alexandratos bestaan er zeer veel verschillende meningen over de hoeveelheid landbouwgrond die China ter beschikking heeft. “Dat heeft vooral te maken met gebrekkige berekeningen en lage inschattingen van de Chinese autoriteiten, in werkelijkheid ligt het percentage bruikbare landbouwgrond beslist hoger.”

Daar komt bij dat de graanopbrengst per hectare nog ver onder het maximaal haalbare ligt. Volgens het Chinese bureau voor statistiek bevindt de produktie bij bijna tweederde van het Chinese landbouwareaal zich op een midden- of laag niveau. Op dit moment is de gemiddelde opbrengst van een mu (0,066 hectare) landbouwgrond 275 kilo graan. Binnen dertig jaar denken de Chinese autoriteiten door technologische aanpassingen die opbrengst te kunnen vermeerderen tot 435 kilo per mu.

Zowel Alexandratos als Song vindt dat veel meer waarde moet worden gehecht aan de trend en niet aan de uitzonderingen. “In de afgelopen veertig jaar is de graanproduktie voortdurend gestegen, dát is van belang”, aldus Song. En zo vindt Alexandratos het feit dat China de afgelopen twee jaar veel graan heeft geïmporteerd niet alarmerend: “Export is de uitzondering geweest. China heeft de afgelopen jaren zo'n drie procent van zijn totale graanconsumptie moeten importeren. Dat is vrij normaal voor een land van die omvang.”

Hoe dan ook, beide onderzoekers mogen hun twijfels hebben, de Chinese regering is er inmiddels volledig van overtuigd dat de toenemende vraag naar graan een lastig probleem is waarvoor een oplossing moet worden gevonden. Browns rapport was daarbij een aanjager voor hetgeen al langer werd beseft. “Brown heeft de alarmbel geluid”, schreef het Economisch Dagblad, een krant die doorgaans volledig op de lijn van de regering zit, deze week. Op regeringsniveau bestaat overeenstemming dat China zich meer zal moeten inzetten om de agrarische sector verder te ontwikkelen. Verschillende leiders hebben hun zorg uitgesproken over “de teruglopende groei” van de agrarische sector en de provinciale overheden hebben de opdracht gekregen meer te investeren in de ontwikkeling van de landbouw.

Maar als het aan het ministerie van landbouw ligt, gebeurt er nog altijd te weinig. Tussen het ministerie en de regering bevindt zich nog de opmerkelijkste discrepantie die met het verschijnen van Browns rapport aan het licht is gekomen. De ambtenaren van het ministerie van landbouw zouden naar verluidt zeer ontevreden zijn met het karige budget dat zij de laatste jaren, wegens het economisch voorkeursbeleid voor fabrieken en bedrijven, hebben toebedeeld gekregen. Zo publiceerde het ministerie, dat niet bereikbaar was voor commentaar, afgelopen zomer in de Guangming Daily een artikel waarin breedvoerig werd gememoreerd dat China's landbouwsector sinds 1985 niet meer is gegroeid. “Wat dacht de regering daaraan te doen?”, aldus het artikel.

Song Guoqing van de Universiteit van Peking vindt het een hoop drukdoenerij om niets. Song: “Ik ben een optimist, China staan geen al te grote problemen te wachten. Zeker geen hongersnood. Dat zou alleen kunnen gebeuren wanneer partijvoorzitter Mao Zedong uit zijn graf zou opstaan.”

    • Floris-Jan van Luyn