Zonder eeuwen

Waarom zou het toch zo belangrijk zijn dat kunst 'naar de toekomst wijst', of woorden van gelijke strekking? Als een oeroud vaasje er uitziet alsof het gisteren gemaakt is, juicht elke rechtzinnige kunstliefhebber. Maar maakt iemand vandaag prachtige schilderijen in de stijl van de Gouden Eeuw of in een trant die doet denken aan Bonnard, dan wordt hij door de meeste critici genegeerd.

Hele generaties aspirant-artiesten rennen zich met die opvatting het hoofd kapot tegen de blinde muur van de toekomst - een muur die wel opschuift, maar toch ondoordringbaar blijft. En bijna niemand schijnt te beseffen dat er geen logische reden is om een kunstwerk meer te prijzen als het er recenter uitziet dan het is, dan als het er ouder uitziet.

Of zo klinkt natuurlijk. Het Nederlands Kamerkoor gaf zaterdag een concert waarin met die gedachte een spel werd gespeeld. Het was een memorabele avond.

De zaal van het Haarlemse Concertgebouw heeft niets intiems, maar voor zover mogelijk hing er toch een samenzweerderige sfeer. Het triomfantelijke middelpunt was de dirigent, Paul van Nevel, specialist in oude muziek. Hij had een programma gemaakt van koorwerken waarvan hij de componisten geheim hield. Pas na afloop kregen wij namen en jaartallen, behorend bij de composities die volgens hem alle aan de stijl van hun tijd ontstijgen. Wonderlijke stukken waren het, hoewel er maar twee of drie echt onmogelijk te dateren waren. (Het programma heet 'Muziek zonder eeuwen'; u kunt er vanavond in Leiden naar toe, en nog drie keer in andere steden.)

Droeg ook de dubieuze reputatie van de dirigent bij tot het spannende van de avond? Dat deze Vlaamse musicus in Italië voor de rechter heeft gestaan, beschuldigd van diefstal van kostelijke boeken uit een Bolognese bibliotheek, en dat hij er wegens heling veroordeeld is tot een gevangenisstraf - het had ons in elk geval niet tegengehouden. Ja, het gaf misschien wel een prettig charlatanesk tintje aan het geheel.

Maar belangrijker was, dat onder regie van Van Nevel niets overbleef van het rubriceren in eeuwen en stijlen. Misschien het allermooiste nummer van de avond bleek - ik mag het verklappen, want de recensenten deden het ook al - gecomponeerd te zijn door een nu drieëndertigjarige Belg, Willem Ceuleers. Wat we hoorden was een zevenstemmig motet, lieflijk en melodieus, op Latijnse teksten uit het evangelie van Mattheus. Het koor, toch al onvergelijkelijk, zong engelenmuziek. Was die nu vijftiende-, zestiende- of zeventiende-eeuws?

Eeuwen zaten we er dus naast. Maar wij hadden er schik in. Meer dan dat, een zaal vol mensen liet zich op aangename wijze inspinnen. Want wat ook weer eens duidelijk werd, is dat voor het plezier aan kunst meer nodig is dan mooie kunst. Haar te presenteren op een manier die het publiek gevangen houdt, is ook essentieel. Zoals een museumdirecteur moet kunnen 'hangen', zo moet een goede musicus een programma kunnen maken dat boeit en behaagt.

Niet alleen het thema, maar ook de keus en opeenvolging van de muziekstukken maakte de avond memorabel. De dirigent een heler, een dief? Wij hadden er maling aan. Wat dat betreft is de kunst net als de liefde: als zij groot is, schudt zij alle overwegingen van redelijkheid, zelfs moraal, af als het stof van haar schoenen.

O, dat veertiende-eeuwse motet over domheid en afgunst waarin de stemmen maar door, door, door zongen in tergend uitgerekte, waanzinnige harmonieën die je als luisteraar naar adem deden happen. Van Nevel noemde het stuk achteraf 'impressionistisch', want het scheen sommigen aan de tijd van Debussy te doen denken. Maar de muziek was zo overrompelend dat wij, het gehoor, niet eens tijd hadden om aan eeuwen te denken.

Dat is wat bereikt moet worden: dat je er niet aan denkt, aan die eeuwen. Of tenminste niet altijd, zodat het idee wel blijft prikkelen maar de obsessie verdwijnt. Nooit heb ik levendiger, tevredener geroezemoes in de foyer van een concertzaal gehoord dan na afloop van deze voorstelling.