Vlaamse 'lomperikken en vreetzakken' hadden Spanje veel te bieden

Tentoonstelling: 'Vlaanderen en Castilië y Léon. Op de drempel van Europa in de 15e en 16e eeuw'. In de Onze-Lieve- Vrouwekathedraal, Antwerpen. Tot 10/12. Geopend: ma, di, do, vr 10-18u, wo 10-21u; za 10-15 en 18-21u; zo 13-16u.

Het is een naïeve man, beweert men in Antwerpen, nogal goedgelovig en streng in de leer. Het wordt gezegd op een licht gegeneerde toon, alsof de man niet helemaal serieus moet worden genomen. Toch is het diezelfde naïeve priester Don José Felicia Berzosa gelukt om in Antwerpen een mooie tentoonstelling samen te stellen over de banden tussen Vlaanderen en Castilië in de vijftiende en zestiende eeuw.

Berzosa, hoofd van de persdienst van het bisdom van Valladolid, vergaarde in kathedralen, kerkjes en koninklijke bezittingen in Spanje ongeveer tweehonderd schilderijen, altaarstukken, manuscripten, tapijten, koorboeken en muziekinstrumenten. Het was hem niet alleen te doen om de stilistische en kunsthistorische achtergronden van de objecten; nee, ze kunnen niet worden los gezien van hun religieuze inhoud, vindt hij, daarom moesten de voorwerpen in een gewijde omgeving worden gepresenteerd, in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen.

Hier wordt nu recht gedaan aan de intentie waarmee deze kunstvoorwerpen ooit zijn gemaakt. Een kunstwerk is méér dan een verzameling formele kenmerken: het is ook een afspiegeling van een tijdsgewricht, van een mentaliteit. Onvermijdelijk bekijken we de kunst uit het verleden met hedendaagse ogen, maar het is heel goed mogelijk om inzicht te krijgen in de context waaruit kunstwerken zijn voortgekomen, en ons te verplaatsen in een voorbije wereld; daartoe beschikken we namelijk over verbeeldingskracht, zoals Gombrich eens opmerkte.

Berzosa's verhaal begint bij de vroege middeleeuwen, toen Filips de Schone en en later diens zoon Karel V het Iberisch schiereiland leerden kennen. Zij waren koningen van Castilië en Aragon geworden via het huwelijk in 1496 van Filips met Johanna van Castilië. In de kerken daar troffen ze romaanse beeldhouwkunst aan, zoals de rij van twaalf levensgrote, stenen apostelbeelden, met Jezus in hun midden. Ooit stonden ze in een nis ergens in Salamanca. Nu staren de mannen ons hier in Antwerpen aan, nog steeds betoverd door hun leidsman.

Niet meer dan 13 centimeter hoog is een gekruisigde Christus van ivoor, een van de mooiste stukken op de tentoonstelling en ruim acht eeuwen oud. Het beeldje bezit die paradoxale mengeling van inkeer en luister die zo kenmerkend is voor middeleeuwse kunst. Aan de ene kant drukt het figuurtje een radicaal afwijzen uit van al wat werelds is: van rijkdom, van zinnelijkheid, en van uiterlijke schoonheid. Naakt en kwetsbaar steken de magere benen uit de streng symmetrisch gestileerde lendendoek. In de voeten zitten nog de koppen van spijkers, straaltjes bloed sijpelen omlaag. Het grote hoofd, met geprononceerde neus en jukbeenderen, hangt scheefgezakt op de schouders, berusting en pijn zijn van het gezicht af te lezen.

Het is een etherisch lichaam zonder enige sensualiteit. Maar aan de andere kant is het getooid, niet met een doornenkroon, maar met een koningskroon die in zijn schittering alle wereldse koningskronen overtreft. Het ragfijn bewerkte goud is bezet met donkerrode robijnen. De robijnen verwijzen naar het bloed en het lijden van Christus, en het stralende goud naar een transcendentale, hemelse luister; maar het doet dit op een volkomen aardse, pronkzuchtige manier.

In de middeleeuwen kon de concrete, aardse schoonheid van bijvoorbeeld juwelen, van damast of zijde, een diepere betekenis hebben en verwijzen naar een onaardse, goddelijke werkelijkheid. Juist daarom kon zo'n kroon niet mooi en rijk genoeg zijn.

De primitieve Vlaamse schilderkunst kent diezelfde combinatie van ascese en lichamelijkheid. Deze schilderkunst is vroom, gericht op het transcendentale, en tegelijkertijd zijn de Vlaamse schilders meesters in stofuitdrukking. Een voorbeeld is de Ecce homo van Jan Provost (1465- 1529), Jezus als de Man van Smarten, met de attributen en tekenen van zijn lijden. Op het paneel (45x30 centimeter), uit de collectie van het bisschoppelijk museum van Palencio, staat Christus tot op de heupen afgebeeld in een gouden nis met gedraaide zuiltjes en een versierde gotische boog. Het uiteinde van het koord om Jezus' nek hangt op de vensterbank; Provost had duidelijk plezier in het illusionistische effect van zijn nis. Christus is omhuld met een witte lijkwade die ook zijn hoofd bedekt, alleen zijn ingevallen borst is naakt. Dwars door het fijngeweven linnen steken kleine scherpe stekeltjes, de doornen van zijn doornenkroon. Dit priemen door de stof heen maakt de pijn tastbaarder dan de vele bloeddruppels die vaak op zo'n beeltenis voorkomen.

Vele Vlaamse schilders, beeldhouwers, musici, ambachtslieden en boekdrukkers - met name de beroemde Antwerpenaar Christoffel Plantijn die een monopolie had op het drukken van religieuze boeken - volgden de Bourgondische koningen naar Castilië. De beïnvloeding was eenzijdig; want al waren de Vlamingen, volgens de Spaanse bronnen, lomperikken, vreetzakken en dronkelappen, in kunstzinnig opzicht hadden zij hun gastland veel te bieden. Ze vonden werk aan de hoven van Spaanse edellieden en vooraanstaande geestelijken. Voor de inrichting van zijn Escuriaal en de aanleg van de tuinen haalde ook Filips II nog aan het einde van de zestiende eeuw, ondanks de voortdurende spanningen tussen hem en de Nederlanden, Vlaamse vaklieden naar Madrid. Behalve de schitterende panelen van schilders als Adriaan Isenbrant en de Meetser van het Geborduurde Loof getuigen ook kledingstukken, muziekinstrumenten, rijk versierde Gregoriaanse koorboeken en de door de Antwerpenaar Christoffel Plantijn gedrukte religieuze geschriften van deze in kunstzinnig opzicht zeer rijke geschiedenis.

De meest tragische figuur uit deze Vlaams-Spaanse periode is op deze tentoonstelling onderbelicht gebleven. Dat was zonder twijfel Johanna van Castilië, bijgenaamd de Waanzinnige. Ze werd uitgehuwelijkt aan Filips van Bourgondië en maakte de fout hevig verliefd te worden op haar losbandige echtgenoot, die haar vaak publiekelijk zou vernederen. Op een Doorniks tapijt staat het echtpaar afgebeeld. De mondaine, langharige Filips biedt Johanna een spiegel aan, waarschijnlijk een symbool van het huwelijksritueel. Zij, gekleed in een groene japon en met een hoog blank voorhoofd onder een wit kapje, is een en al bedeesde ingetogenheid.

In 1506 zou Filips de Schone, nadat hij vlak na een verhit balspel gekoelde witte wijn had gedronken, plotseling overlijden. Johanna was ineens de enige erfgename van de Spaanse vorstendommen. Maar ze trok zich de dood van haar man zo aan dat ze, zo beweert men, vlagen van waanzin ging vertonen. Reden voor haar vader om haar op te sluiten in het kasteel van Tordesillas, dat ze een halve eeuw, tot haar dood in 1555, niet mocht verlaten. Afbeeldingen van Johanna de Waanzinnige zijn zeldzaam. Juan de Flandres schilderde een mooi portret van haar, in olieverf op paneel. De enige, lichte schaduw, die over deze indrukwekkende tentoonstelling valt is het feit dat de eigenaar, baron Thyssen, het paneeltje vanwege een te hoge verzekeringswaarde niet heeft willen afstaan.

    • Janneke Wesseling