Schrijvers en tv: haat en liefde

De (bekende) schrijver is een gewilde gast in tv-programma's. De laatste weken heb ik er op binnen- en buitenlandse zenders ten minste een stuk of tien zien opdraven. Maar leverde het wat op, afgezien van de obligate reclamepraatjes over het nieuwste boek?

Bij de VARA heerst, heb ik begrepen, een lichte euforie over het feit dat Sonja's AKO-uitzending dit keer niet op een ramp is uitgelopen. Het is waar: er werd nu een winnaar aangewezen die zijn prijs niet meteen hoefde in te leveren, maar méér lichtpunten vielen er nauwelijks te ontdekken. “Het was een moeizaam gesprek”, zei Sonja Barend enigszins verwijtend tegen de genomineerde schrijvers. Alsof ze wilde zeggen: aan mij heeft het niet gelegen, maar met zo'n stel contactgestoorde kluizenaars is het nu eenmaal kwaad kersen eten.

Maar ik vrees dat de mislukking eerder aan Sonja's houding en vragen lag. Praten met 'gewone mensen' gaat haar doorgaans beter af dan met intellectuelen, voor wie ze teveel ontzag heeft, misschien wel omdat ze onvoldoende beseft dat intellectuelen au fond ook maar 'gewone mensen' zijn die blij tegen hun moeder vertellen dat ze 's avonds bij Sonja Barend mogen komen.

Verder worden in zo'n uitzending ook veel tamelijk eenvoudige kansen gemist. Ik zag Durlacher, de vorige prijswinnaar, even op de tribune zitten. Waarom worden zo'n man niet een paar aardige vragen gesteld? En waarom zou je de jury niet uitgebreid voorstellen en interviewen over haar criteria? Het draait toch allemaal om haar keuze?

Als zulke uitzendingen niet beter worden, zal er altijd een haat-liefde verhouding blijven bestaan tussen de literatuur en de televisie. Schrijvers hebben het medium méér dan ooit nodig om hun werk verkocht te krijgen, maar ze koesteren er in hun hart een diepe verachting voor. Ze voelen zich niet serieus genomen, ze mogen alleen even komen toelichten wat wel of niet autobiografisch is aan hun boeken, en daarna moeten ze weer zo snel mogelijk ophoepelen.

Gelukkig zijn er ook hier uitzonderingen op de regel. Zo maakte Karel van de Graaf onlangs een prachtig portret van Jan Wolkers, met wie hij terugging naar Rottumerplaat. Daar had Wolkers 24 jaar geleden zijn fameuze radioserie met Willem Ruis gemaakt. Wolkers keek terug op dat avontuur, maar hij praatte ook over zijn persoonlijk leven, over zijn huwelijk met Karina (“ze heeft nooit met me willen pronken, ze trok me niet het nachtleven in”), over de dood van zijn dochtertje en over de dood in het algemeen (“de dood is de zin van het leven, als er geen dood was, was alles zinloos.”)

Waarom worden zulke programma's niet vaker gemaakt? Ook bij de VPRO zie je ze zelden of nooit, terwijl toch moeiteloos een lijstje met minstens tien Nederlandse schrijvers te bedenken valt over wie je zo'n Wolkersachtig programma kunt maken. In plaats daarvan kunnen we bij de VPRO voortaan één keer per maand Michael Zeeman met drie kenners van gedachten horen wisselen over nieuwe boeken.

De eerste uitzending kon ermee door, maar spannende televisie was het niet, en zal het ook niet worden, verwacht ik. Ook zo'n programma moet weer, zoals de meeste boekenprogramma's, gebukt gaan onder het juk van het Pas Uitgekomen Boek. Er vindt een diepgaande discussie plaats over boeken die je in de meeste gevallen nog niet gelezen kùnt hebben, en je voelt je als kijker dan ook al gauw een schipbreukeling in volle zee: de golven beuken op je in en nergens is enig houvast. (Ergens in de verte roept Zeeman vanuit zijn reddingssloep: “Als je me niet kunt volgen: pech gehad.”)

Zo'n discussieprogramma kan beter over algemenere, literaire thema's gaan, of over boeken die alweer een tijdje uit zijn. We hebben dit jaar zo ongeveer allemaal Van Dis' Indische Duinen gelezen. Het is een van de meest succesvolle boeken van de laatste decennia. Hoe is dat te verklaren? En wat vinden een aantal prominente literatoren (Zeeman c.s.) nu eigenlijk van dat boek? De beweringen die ze daarover doen, kan iedereen dan tenminste toetsen aan zijn eigen oordeel.

Ook het schrijversinterview kan interessanter dan in het doorsnee-praatprogramma gebeurt. Bij de BBC loopt op maandagavond een boeiende interviewserie met schrijvers: Face to face door Jeremy Isaacs. Daarin zag ik interviews met Martha Gellhorn en Norman Mailer. Ze duren 'maar' veertig minuten, maar het is verbazingwekkend hoeveel facetten van leven en werk Isaac in die korte tijd met de schrijver doorneemt.

Isaac hanteert een zeer kale interviewstijl: hij houdt zijn vragen kort en niet-psychologiserend (“wat was je moeder voor iemand?”) en hij springt heel snel over op een ander onderwerp - meestal zonder verder in discussie te gaan. De interviewer komt zelf geen moment in beeld: we zien alleen de schrijver, en face en en profil. Het geheel heeft iets van een verhoor, maar dan door een vriendelijke politiebeambte.

Als je tevoren niets van Mailer wist, dan weet je nu hoe hij is opgevoed ('als een kleine, verwende prins'), hoe joods hij zich voelt ('erg'), wat voor een soldaat hij was ('ik minachtte mezelf'), hoeveel moeite hij had met zijn snelle, literaire succes, hoe hij over vrouwen denkt ('ik heb ze beter behandeld dan Picasso, maar dat was dan ook een klootzak'), wat hij van Kennedy denkt ('de seksuele revolutie begon bij hem') en van zijn land ('the country is getting damn ugly').

De eenvoudigste programmaformules zijn vaak de beste.

    • Frits Abrahams