Kabinet-Kok neemt stilletjes afscheid van werk voor iedereen

De hoge werkloosheid geldt als grootste zorg van het kabinet-Kok. Maar economische groei gaat ten koste van het milieu en het arbeidstempo zorgt voor steeds meer uitvallers, zo werd op deze pagina's vastgesteld in de serie 'Werk'. Joop Meijnen maakt de balans op. Nederland kan maar beter toegeven dat betaald werk niet meer voor iedereen is weggelegd, nu niet en later niet.

Ook al komen er in Nederland elk jaar honderdduizend banen bij, dan nog neemt de werkloosheid voorlopig nauwelijks af. Het is een van de paradoxen in dit rijke land. De prijs van de welvaart is gedwongen nietsdoen voor honderdduizenden.

Officieel streeft Nederland sinds mensenheugenis naar 'volledige werkgelegenheid'. Van 1949 tot 1971 lukte dat ook aardig. Slechts twee keer, in 1952 en 1953, telde men meer dan 100.000 werklozen, een aantal dat toen gold als limiet voor een fatsoenlijk arbeidsbestel.

Maar de afgelopen vijfentwintig jaar is er van volledige werkgelegenheid steeds minder terechtgekomen. Sinds het begin van de jaren zeventig lopen de werkloosheidscijfers almaar op. Tijdens elke inzinking pieken ze naar nieuwe records, na elke opleving blijven ze steken op een hoger niveau.

Deze trend is onmiskenbaar, ook al is er op kosten van de gemeenschap een heel scala aan kunstgrepen uitgehaald om de ernst van de situatie te verdoezelen. Officieel telt Nederland nu 450.000 'geregistreerde werklozen', maar als alle cosmetica van VUT, WAO, banenpools en wat dies meer zij is verwijderd, blijken het er in werkelijkheid drie tot vier keer zo veel te zijn.

Tegen de achtergrond van het chronische tekort aan banen (met name voor 50-plussers en lager opgeleiden) dringt zich dan ook de vraag op, of het streven naar volledige werkgelegenheid nog wel serieus valt te nemen. En of het, nu er toch alom wordt herijkt, niet tijd wordt om de nadruk die het sociaal-economische beleid legt op het belang van (betaalde) arbeid enigszins te relativeren.

De afgelopen maanden heeft hierover op de Opinie-pagina's een twintigtal (voor het merendeel op verzoek geschreven) bijdragen gestaan. Welke balans valt daarvan op te maken? Grosso modo zijn drie benaderingen te onderscheiden. De eerste concentreert zich op de demografische ontwikkelingen, de tweede schenkt vooral aandacht aan de internationale concurrentieverhoudingen en de derde beklemtoont de sociale aspecten.

Eerst de ontwikkeling van de beroepsbevolking. Het zijn vooral de arbeidsmarktdeskundigen die hier de aandacht op vestigen. Zij wijzen erop dat de na-oorlogse geboortegolf nog steeds de arbeidsmarkt overspoelt. Nog een jaar of tien, vijftien en dan wordt het eb. “Al rond de eeuwwisseling blijken zich grote tekorten te gaan voordoen aan jongeren”, aldus P. Renooy (29 juli).

In dit licht bezien is de huidige buitensporig hoge werkloosheid vooral een tijdelijke aangelegenheid. Vervelend voor de betrokkenen, maar geen paniek, straks wordt alles beter. In de tussentijd is het zaak met slimme belastingen en premies te anticiperen op de verschuivingen die zich in het economische patroon voltrekken (verhoudingsgewijs meer werkgelegenheid in de arbeidsintensieve dienstverlening), de arbeidsmarkt te flexibiliseren en het onderwijs op peil te houden. Dan komt volledige werkgelegenheid weer binnen bereik.

Dan de benadering waarin de toenemende concurrentie van Oosteuropese 'beren' en Aziatische 'tijgers' de toon zet. Hierbij draait het vooral om aanpassing van het Nederlandse bestel aan de hegemonie van het kapitalisme op de wereldmarkt. Dat betekent: minder overheid en meer markt, minder regels en meer dynamiek, minder inkomensgelijkheid en meer lastenverlichting.

De pleitbezorgers van deze aanpak zijn vooral te vinden onder economen en werkgevers. Zij bekommeren zich meer om de produktiviteit dan om de kwaliteit van het werk. “Werkloos thuiszitten is pas echt minderwaardig werk”, aldus J.C. Blankert (26 augustus). En overigens: beter pulpbanen dan kunstbanen. Werk dat onvoldoende loont, moet in de allereerste plaats goedkoper worden. Lukt dat niet, dan wordt het weggesaneerd, of elders gedaan. Lukt dat wel, dan hoeft volledige werkgelegenheid geen illusie te zijn. In beide gevallen resulteert een ruwer sociaal klimaat.

Ten slotte de auteurs die vooral letten op de sociale verhoudingen en die over het algemeen een sociologische achtergrond hebben. Zij wijzen er op dat de bevordering van economische groei onaanvaardbare gevolgen heeft voor de kwaliteit van het leven. De concurrentiestrijd gaat ten koste van het milieu en het verlangde tempo zorgt voor steeds meer uitvallers voor wie sociale uitsluiting dreigt. De ontevredenheid over beide groeit.

Om deze vicieuze cirkel te doorbreken, kan Nederland maar beter toegeven dat betaald werk niet voor iedereen is weggelegd, nu niet en later niet. Door het streven naar volledige werkgelegenheid bewust los te laten, ontstaat ruimte voor een meer ontspannen en gezonder arbeidsbestel. “Van een sterke fixatie op betaalde arbeid verplaatst de belangstelling zich gaandeweg naar zorg, milieu, maatschappelijke participatie en emancipatoire activiteiten”, aldus J. Roebroek (9 augustus). Dit veronderstelt invoering van een of andere vorm van individueel basisinkomen.

Wat valt er, alle bijdragen overziend, op te merken over het werkgelegenheidsbeleid van het kabinet-Kok? “Het tekort aan werkgelegenheid in Nederland is de grootste zorg van het kabinet”, aldus de vorige maand uitgebracht Sociale Nota 1996. Het kabinet wil die zorg wegnemen door versterking van de economische structuur, beheerste ontwikkeling van de loonkosten, verdergaande herverdeling van betaalde arbeid en versobering van de sociale zekerheid. De consensus daarover is vrij algemeen.

In de vormgeving van dit beleid valt op dat er vooral elementen terug te vinden zijn uit de hierboven geschetste tweede benadering. De hoogste prioriteit van het kabinet ligt bij de financieel-economische aanpassing van Nederland aan de relevante omgeving. De criteria van de Economische en Monetaire Unie dicteren het kabinetsbeleid. Banen zijn een afgeleide. Zij vervullen in het aanpassingsproces als het ware een bufferfunctie.

De Europese top in Madrid in december zal deze hiërarchie bekrachtigen. Als het over werkgelegenheid gaat, bestaat Europa niet. De Franse president Chirac mag de massale werkloosheid in Europa “een ongeëvenaarde sociale noodtoestand” noemen, als het erop aankomt die effectief te bestrijden, dan zoekt elke lidstaat het zelf maar uit.

In de tweede plaats: Nederland geeft jaarlijks zo'n honderd miljard gulden uit aan uitkeringen en verbiedt het de uitkeringsgerechtigden daar iets voor te doen. “Dat is een gigantische verspilling”, aldus P. van Elswijk (7 oktober) en velen met hem vinden dat daar wat aan gedaan moet worden.

Wat dat betreft is er in het kabinetsbeleid sprake van een opmerkelijke verschuiving in de moraal naar 'voor wat, hoort wat'. Wie werk heeft, kan een milder fiscaal regime verwachten; wie geen werk heeft, zal meer moeten afzien en vaker om een (maatschappelijke) wederdienst worden gevraagd. Het evangelie van Mattheus in een eigentijds neo-liberaal jasje.

Daar valt - in de derde plaats - niet zoveel op af te dingen, mits er een geïnspireerd werkgelegenheidsbeleid tegenover staat. Is dat niet het geval, dan verwordt de strijd tegen de verspilling al gauw tot ordinair afpakken en bezuinigen met additionele 'Melkertbanen' als schaamlap. Het stelt de meeste auteurs in deze serie teleur dat de voornemens van het kabinet juist op dit punt nogal mager uitvallen.

Premier Kok beloofde wel “alles uit de kast” te halen om de arbeidsmarkt op te peppen, maar vooralsnog zijn het meer woorden dan daden. De mislukte poging van het kabinet (vorige week tijdens het Najaarsoverleg met werkgevers en werknemers) om het CAO-kartel over de loonschalen vlak boven het wettelijk minimumloon te breken, is daarvan de meest recente illustratie.

Een ander voorbeeld betreft het vercommercialiseren van onvervulde behoeften in de persoonlijke dienstverlening. Verschillende auteurs wijzen er op dat daar een gat van honderdduizend banen valt aan te boren. Maar op een handjevol voorzichtige experimentjes na, laat het kabinetbeleid het ook hier goeddeels afweten. Het heeft er alle schijn van dat het kabinet er zelf niet meer zo in gelooft en stilletjes afscheid aan het nemen is van een jarenlange hoeksteen van het beleid. Vorig jaar stond in de Sociale Nota 95 nog dat er “allerminst reden [is] het streven naar volledige werkgelegenheid op te geven”. Vorige maand, in de Sociale Nota 96, heet het doel: “Niemand blijvend aan de kant”.

Minister Melkert (sociale zaken) vertelde onlangs in Het Parool, sprekend over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, hoe we dit moeten begrijpen: “Bij die veranderingen moet je ook je doelstellingen aanpassen. Dan praat ik niet meer over 'volledige werkgelegenheid', maar over: 'op weg naar volledige deelname'. Dat is geen vervanging van een versleten ideaal, maar een modernisering”. Die durft!

    • Joop Meijnen