In de Amsterdamse pers kreeg hij de bijnaam 'Van Rampwijck'; Justitie offert naïeve magistraat

AMSTERDAM, 25 OKT. Eigenlijk had hij de laatste maanden nog maar één vertrouweling in het opsporingsapparaat. De voorzitter van de Raad van Hoofdcommissarissen, de Haagse korpschef J. Brand, was de enige met wie procureur-generaal R.J.C. graaf van Randwijck (58) van Amsterdam nog confidenties over de versleten persoonlijke verhoudingen tussen hem en de Amsterdamse politie en justitie kon bespreken. In zijn eigen ressort was Van Randwijck in een isolement terechtgekomen - hij werd nauwelijks nog geraadpleegd, zijn gezag was verdwenen, zijn positie had nog slechts papieren betekenis.

Al ruim anderhalf jaar moest Van Randwijck werken met ondergeschikten die hem verantwoordelijk stelden voor het feit dat de IRT-affaire op een eindeloze strijd tussen leden van het opsporingsapparaat was uitgelopen. In de periode tussen november 1993 en eind januari 1994 lukte het hem niet de kiftende korpschefs en ernstig verdeelde hoofdofficieren van justitie op één lijn te brengen toen er discussie ontstond over de werkmethode en de ontbinding van het IRT Noord-Holland/Utrecht. Hij probeerde het probleem op te lossen door niet te kiezen. Zo etterde de wond door.

Doorslaggevend voor zijn positie was het telefoongesprek dat hij op zaterdagmiddag 22 januari 1994 voerde met de Amsterdamse hoofdcommissaris E. Nordholt. Nadat korpschef J. Wiarda van Utrecht een verband had gelegd tussen de ontbinding van het IRT en corruptie bij de Amsterdamse politie, schreef Van Randwijck een onderzoek door de rijksrecherche uit. Toen Nordholt daarvan vernam sloegen bij hem alle stoppen door. Van Randwijck had immers de meeste vergaderingen over de werkmethode bijgewoond en wist, zo redeneerde Nordholt, wat de ware reden achter de ontbinding was. “Als je dat doet, trek ik je integraal door”, riep de korpschef volgens de PG door de telefoon. Het zou nooit meer goedkomen tussen de procureur-generaal en de korpschef.

De regeringscommissie-Wierenga, die de ontbinding van het IRT onderzocht, legde de verantwoordelijkheid voor het drama bij de Amsterdamse politie en justitie. Nordholt, zijn commissaris Van Riessen en hoofdofficier van justitie Vrakking kregen ernstige verwijten - ze hadden overijld en ondoordacht gehandeld bij de ontbinding van het IRT. Ook Van Randwijck kreeg er flink van langs. De commissie had “ernstige bedenkingen” over zijn handelwijze omdat hij “ruimschoots” de gelegenheid had gehad om in te grijpen.

De ironie van de geschiedenis is dat Van Randwijck de enige van de vier Amsterdamse functionarissen was die de analyse van Wierenga volledig onderschreef. De andere drie hoofdrolspelers legden zich er niet bij neer. In de polarisatie die zich intussen binnen het opsporingsapparaat voltrok - ben je voor of tegen Amsterdam? - werd Van Randwijck automatisch ingedeeld in het 'andere kamp'. In kleine kring liet de PG zich regelmatig ontvallen dat hij het idee had dat zijn Amsterdamse collega's op achterbakse wijze alsnog hun gelijk probeerden te halen - onder meer door het voortdurend lekken van vertrouwelijke informatie waaruit moest blijken dat hij een larmoyante sufferd was. Hij kreeg in de Amsterdamse pers de bijnaam 'Van Rampwijck'.

Eén keer sprak hij zich in het openbaar uit over de slepende gezagscrisis. In mei vorig jaar zei hij tegen deze krant: “De schade in de verhoudingen is pas echt ontstaan nà het verschijnen van het rapport-Wierenga. Het falen van het IRT was wel een flinke klap maar toen bestond nog de sfeer dat we van deze stevige fout konden leren. Daarna zijn de groeven pas echt verdiept, toen allerlei zeer vertrouwelijke informatie in de pers terechtkwam. Dat maakte de onrust zo groot dat iedereen nu boos is op de Amsterdamse politie.”

Waarna de Amsterdamse politie weer kwaad op hèm werd. En uit alles bleek dat de middelen die zijn tegenstanders hanteerden om de publieke opinie te mobiliseren aan Van Randwijck niet besteed waren. Hij bleef de naïeve magistraat, de man die erin geloofde dat je in besloten kring onder het genot van een goed glas en mooie klassieke muziek de meeste conflicten wel kunt oplossen.

In augustus van het vorig jaar sloeg Van Randwijck voor het eerst en voor het laatst met de vuist op tafel. Nadat Nordholt in interviews met De Telegraaf en Het Parool opnieuw mopperde over de IRT-methode en opriep tot een parlementaire enquête schreef de PG een brief aan hoofdofficier van justitie Vrakking waarin hij een spreekverbod voor Nordholt eiste. Hij maakte melding van de brief tegenover deze krant voordat die op de bus was gedaan. Het leidde tot een pijnlijk debat in de Tweede Kamer, waarin vooral aan de orde kwam waarom Van Randwijck inzage had gegeven in vertrouwelijke correspondentie. Het gevolg was dat niet zozeer Nordholt, maar Van Randwijck zelf een spreekverbod van minister van justitie Sorgdrager kreeg opgelegd.

Toen al was in feite duidelijk dat Van Randwijck in een ambiance was terechtgekomen waarin hij onmogelijk kon functioneren. Ook hoofdofficier Vrakking, de man die nota bene door Van Randwijck van de zittende magistratuur naar het OM werd gehaald, bleek niet bereid de PG nog te steunen. Vrakking koos definitief de zijde van Nordholt.

Tijdens zijn verhoor op 12 oktober voor de enquêtecommissie - waar in de zaal alleen zijn echtgenote Babette hem nog leek te begrijpen - bleek eens te meer hoe eenzaam de magistraat inmiddels was geworden. Niemand had hem op de hoogte gesteld van de aanhoudende conflicten binnen zijn ressort over opsporingsmethoden en gemankeerde persoonlijke verhoudingen. Hij had er ook niet naar geïnformeerd - wat nog eens aangaf hoezeer hij een lame duck was geworden. Eén keer leek hij tijdens het verhoor uit de school te klappen. Hij suggereerde dat het officieren van justitie ontbreekt aan “lef” om hun verantwoordelijkheid te nemen. Toen de commissie daarover doorvroeg, schrok hij van zijn eigen woorden en verklaarde de opmerking “bij dezen terug te nemen”.

Het lid van de enquêtecommissie Rabbae nam vanochtend voor de radio al een opmerkelijk voorschotje op een mogelijke afloop van het IRT-drama. Hij riep andere betrokken gezagsdragers min of meer op het voorbeeld van Van Randwijck te volgen. Dat zich een dergelijk scenario zal afspelen is niet ondenkbaar. Nu het openbaar ministerie - lees de minister van justitie - een pion heeft geofferd in een poging de gemankeerde verhoudingen glad te strijken, is de situatie geschapen die het mogelijk maakt ook andere hoofdrolspelers met een gouden handdruk vervroegd te laten uittreden. De commissie-Van Traa heeft in haar verhoren al aan diverse korpschefs gevraagd of de politie wellicht toe is aan een nieuwe generatie leiders.

Van Randwijck wil publiekelijk niet reageren op het drama. Tegenover een goede vriend heeft hij gisteren schertsend opgemerkt in ieder geval niet van plan te zijn “rozebottels te gaan kweken aan de westelijke kant van de Himalaya”. De procureur-generaal gaat naar verluidt een leuke studie oppakken.

    • Marcel Haenen
    • Tom-Jan Meeus