Herfst in een veerhuis

In vijf kwartier zijn we er. De auto zetten we neer op het erf van een boerderij aan de zeilvaart. We lopen om de boerderij heen om de dollen en de riemen op te halen. Met onze bagage, die dollen en die riemen steken we de weg over waar we zoëven nog op reden.

We klimmen over het hek en stappen de wei in waar nu alleen nog schapen grazen. We lopen langs de zijvaart waar alle waterplanten compleet verdwenen lijken. Het is herfst. Bij de zeilvaart aangekomen keren we de roeiboot die op zijn buik op het vergeelde gras ligt. We zetten de dollen erin, leggen de riemen in de dollen, duwen de boot het water in. Onze spaarzame bagage gaat aan boord, en wijzelf.

Daar roeien we, vaarwel beschaving, naar de overkant. We roeien de negentiende eeuw in. Op ons Friese landgoed van dertig bij dertig meter wordt de boot vastgelegd. De bomen worden al doorzichtig. Er liggen peertjes op het gras. We lopen achterom en steken de sleutel in het slot.

Wat komen wij hier doen? Doen misschien niet zo heel veel. Wij gaan ons wijden aan het buiten zijn, daar komt het eigenlijk op neer. We gaan eens een rondje om ons huis lopen. We gaan wat gras knippen. Een boom omzagen die te ver over de sloot hangt. We gaan ons weer eens voornemen, de grasmaaier en de zaag te laten slijpen respectievelijk wetten. We gaan voorzover het weer het nog toelaat buiten eten. En ook heel veel naar buiten kijken door diverse ramen.

Maar vooral door de twee ramen die op de zeilvaart uitzien. De woonkamer wordt indirect verlicht door de vaart. Bij elke weersgesteldheid. Het licht komt van onder de hoge wilg en de vlier. Wel uit de hemel natuurlijk, maar door bemiddeling van de vaart.

We kennen het huisje vanaf het late voorjaar. Dit is onze eerste herfst. De gedachte dat ons geboomte - dat het huis vanaf de weg zo goed als aan het oog onttrekt - kaal zal zijn, onthutst ons nog. Maar ons voorstellen dat het huisje, of dat dit Friesland, er minder mooi op zal worden, dat kunnen wij niet. Zo loyaal zijn wij al wel.

Allerlei dingen lijken of zijn reeds onlosmakelijk aan elkaar verbonden geraakt. Dat wij ons benodigde water met een emmertje moeten ophalen, buiten, uit een van onze twee regenputten, het verheugt ons. Dat we naar buiten moeten om ons gevoeg te doen al evenzeer. We achten ons bevoorrecht met onze bedstee en het keldertje eronder. We prijzen ook de suizende gaslamp boven de eettafel. En de geur van de olielampen, de kaarsen, de houtkachel.

Dat het huis een adres heeft, hoe rudimentair ook, en zelfs een huisnummerbordje draagt, het lijkt geen enkel doel meer te dienen. Door de brievenbus, die er niet is, valt geen post. Aan de ontbrekende trekbel trekt niemand. Het geluid van een telefoon heeft hier nog nooit geklonken.

Als dit ooit zoals men zegt een veerhuis is geweest, dan is er niets dat erop wijst behalve misschien de naam. En wij zelf, die het in stand houden: veer, volledig in eigen beheer.

    • Nicolaas Matsier