'De grofste vorm van criminaliteit hier is aardappeldiefstal'; Gorazde rekent op niets en niemand meer

GORAZDE, 25 OKT. “Ik ben misschien de enige burgemeester in Europa die straks zijn bijl pakt en het bos ingaat om hout te halen voor de kachel”, zegt Smajo Bascelija (46) met een glimlach. “Daarna ga ik naar mijn tuin om het avondmaal uit de grond te halen. Ik heb geen salaris, geen televisie, geen telefoon. Maar ik heb óók geen kopzorgen over de vraag hoe ik mijn elektriciteit of mijn autoverzekering deze maand moet betalen.”

Grauw en mager, maar opgewekt zit hij in zijn kantoor, of wat daar nog van over is, de man die vorig jaar april de wereld schokte. Een stad op de rand van de collectieve zelfmoord. Dat was het beeld dat hij van Gorazde schetste. Al meer dan twee weken lag het 'beschermde gebied' onder zwaar Servisch vuur. Zevenhonderd doden en tweeduizend gewonden waren er al gevallen. Servische troepen stonden tweehonderd meter van het ziekenhuis. Maar nog steeds wilden de VN niet ingrijpen. Via een radioamateur stuurde de burgemeester toen zijn boodschap aan de wereld: “Laat ons alsjeblieft sterven. Stuur vliegtuigen met luidsprekers waaruit dodenmuziek klinkt.”

Nu, na vier jaar van volstrekt isolement, kan Gorazde eindelijk worden bezocht. Wat opdoemt is een stad waar de levensvoorwaarden niet eens meer 'elementair' zijn te noemen. Honger. Kou. Een bevolkingsdichtheid van zeven mensen per kamer. Toch is er iets van kracht in de mensen die in de felle ochtendzon wandelen. De gepokte, maar onberispelijk schone straten. De planten in de metalen bakken van de Amerikaanse airdroppings in de vensterbanken. Onder het gordijn van de verwoesting schemert nog steeds de lieflijke rozenstad die Gorazde eens was. Kool en aardappelen groeien nu op de plaats van de rozen. Rond het monument van Tito grazen de koeien. “Het mag belachelijk lijken, maar de grofste vorm van criminaliteit waarmee we kampen is aardappeldiefstal”, zegt burgemeester Bascelija. Ooit was Gorazde de stad met de meeste auto's per inwoner van heel Joegoslavië. Nu zijn die auto's 'minder waard dan de lucht die we ademen'.

Wat is er in de hoofden van de mensen gebeurd? Waar zijn de zelfmoordgedachten die de wereld schokten? “Wij waren misschien nog wel meer geschokt door de VN-rapporten die maar bleven stellen dat er in Gorazde geen sprake was van een grootscheepse aanval”, zegt Bascelija en stopt zijn zelfgemaakte pijp met zelfverbouwde tabak. Overigens was het niet hij, maar zijn voorganger die de oproep via de amateurzender had gedaan. “Maar hij vertolkte de gevoelens van de hele stad: het was de eenzaamheid en het verraad dat alles ondraaglijk maakte.” Bascelija herinnert zich nog precies. Hoe de VN-staf in Zagreb de wanhopige rapporten van de eigen waarnemers in Gorazde terzijde schoof. Hoe ook hoge Nederlandse VN-generaals als Van Baal en Bastiaans beweerden dat de moslims de genocide in Gorazde 'over zichzelf hadden afgeroepen' doordat ze hun loopgraven tien meter zouden hebben opgeschoven. “Dit zijn de hardste klappen die een mens kan krijgen”, zegt de burgemeester. Pijnlijker dan granaten, omdat het je ziel is die wordt gewond. “Ik denk dat ons daarom de dood beter leek dan het leven.”

De enclave zit nog steeds in de wurggreep van de Bosnische Serviërs. Nog steeds wordt de bevolking gebombardeerd. Na de val van de beschermde gebieden Srebrenica en Zepa hing het lot van Gorazde aan een zijden draadje. En al wordt het vrede in Bosnië, de kans dat Gorazde 'opengaat' is minimaal. In Sarajevo klinken geruchten dat de Bosnische regering Gorazde wil opgeven, in ruil voor Servische gebieden rond Sarajevo.

“Wij hebben geleerd op niemand meer te vertrouwen”, zegt de burgemeester. Niet op de VN, niet op de NAVO, en ook niet op Sarajevo. “We vertrouwen alleen nog op onszelf. Dat is ons geheim. We blijven zitten waar we zitten en leven zoals we leven. Ik vertrouw er niet op ooit nog verwarmd te worden door een radiator. Zoals ik mijn ijskast niet meer voor andere doelen zal gebruiken dan als bergplaats voor mijn papieren en mijn bril. Daar ligt nu onze kracht.”

De muziek zweeft. De hifi, aangedreven door een zelfgebouwde generator in de rivier. 'Knock knock knocking on heaven's door'. Met gesloten ogen wiegen ze heen en weer. Sabina (20), Suada (32) en de jonge soldaat Dado (19). Deze donkere koffiebar is belangrijk voor hen. De simpele dingen van vóór de oorlog. Een geur van een kop koffie, een sigaret. Anders dan de burgemeester verlangen zij wel degelijk naar de wereld 'buiten'. “Wat moet ik hier?”, zegt Suada die in Sarajevo voor ingenieur studeerde. “Stel het wordt vrede. Dan zullen er nog steeds moslims hier, Serviërs daar en aan de andere kant Kroaten zijn. Moet ik de rest van mijn leven geven om zo'n soort land op te bouwen?” Ook Sabina en Dado willen weg. Studeren, studeren en nog eens studeren wil Sabina. Totdat haar hoofd 'ploft van de kennis'.

Op één punt zijn ze het met de burgemeester eens. De ergste pijn komt als je beseft dat je in de steek bent gelaten. Vroeger verstuurden ook zij Unicef-kaarten met kerst. Het was goed de kindertjes te helpen die honger hadden. Sinds de belegering van Gorazde is Unicef drie keer geweest, met wat potloden en papier. “Dan was het goodbye, we stappen weer op. Terwijl er geen melk was voor de baby's.”

Ook voor hen is de dag gekomen dat ze besloten alleen zichzelf te vertrouwen. Dado vertelt over zijn gevechten. Hoe ze, alleen gewapend met jachtgeweren, Servische tanks tegenhielden. Sabina knikt: “Uiteindelijk wacht je alleen nog op de dood. Maar dan ga je haten. O God, hoe ga je haten. Alle cetniks en de hele wereld. Ook al weet je dat het niet juist is.”

De vrouwen vertellen over de luidsprekers die de Serviërs soms op de bergen zetten. Hun liederen schalden over de de stad: 'Ik sluip zachtjes je huis binnen, baby. Maak je bloem voor me open. Hou je zachte hals klaar voor mijn zwaard.' En dan, op een dag, word je sterk, zegt Sabina. “Je wil vechten. Je gaat je eigen groente planten en je doet alles om te laten zien: zie je wel, klootzakken, ik lééf nog! Begrijp je niet wat voor hufters je bent?” De jongeren glimlachen en drinken hun koffie. “Het klinkt misschien raar, maar oorlog went.”

Trots houdt de dokter de baby omhoog. Het meisje dat die ochtend is bevallen is niet ouder dan zeventien. Haar ogen stralen, terwijl haar man over haar handen strijkt. “In de oorlog wordt liefde dramatischer”, zegt Sabina, terwijl we door de schoongepoetste gangen van het ziekenhuis lopen. Ook zij heeft op haar twintigste al een kind. Ook zij is getrouwd. Iets wat ze in vredestijd nooit zou doen. Maar in de oorlog kan elke dag de laatste zijn.

“Dat kind is alles waar ik nu voor leef”, vertelt de oude man die met hout en spijkers iets probeert te herstellen van de stukgeschoten muren in het ijskoude 'operatiekamer'. Meer dan drie operaties per dag hebben de twee chirurgen hier gedaan. Vrijwel zonder instrumenten, zonder materiaal. De oude timmerman doet wat hij kan om dit vroegere kuuroord tot een ziekenhuis om te bouwen. Zo heeft hij zijn huidige zoontje ontmoet. De baby was het kind van een moslimvrouw die verkracht was in een Servisch kamp. De moeder kon het kind niet zien en liet het achter. Maandenlang leefde het joch in het ziekenhuis, met de liefde van hem en de verpleegsters. “Maar toen werd het winter. Hij zag blauw van de kou. Ik ben met mijn vrouw gaan praten, en we hebben hem genomen.”

'Zo veel', doet het jongetje, terwijl hij zijn armpjes spreidt om aan te geven hoeveel hij van zijn 'ouders' houdt. Met grote blauwe ogen en een stout gezichtje dribbelt hij door de veel te kleine kamer. Het huis waarin de familie Muhic woonde, werd aan het begin van de oorlog in brand gestoken. Nog steeds kan Advija Muhic het niet geloven: het waren haar eigen buren in de Servische wijk waar ze woonde die haar levend wilden verbranden. Toch heeft ze dit 'Servische' kind in huis genomen en brengt ze het groot als haar eigen kind. Ook al zal ze haar leven voor hem hier moeten opgeven, want het kind wordt elke dag door andere kinderen uitgescholden voor 'vuile cetnik' en 'zoon van een hoer'. “Op een dag zal ik hem zijn geschiedenis vertellen”, zegt ze. “Maar dan in Melbourne, op het uiterste puntje van de wereld.”