CBS-onderzoek: R & D maakt bedrijven produktiever

Het kabinet-Kok laat via de Miljoenennota en de Macro Economische Verkenning optimistische geluiden horen over de Nederlandse economie: de economische groei komt dit jaar uit op 3 procent, het financieringstekort daalt sneller dan is voorspeld en in de kabinetsperiode zullen naar verwachting tenminste 350.000 banen worden gecreëerd. Er zijn ook sombere berichten. Minister Melkert van Sociale Zaken meldt in zijn begroting dat de werkloosheid maar matig daalt en ook in 1996 niet onder de 500.000 zal komen. De Raad van State vindt dat het financieringstekort gezien het economisch klimaat niet snel genoeg daalt. Ook zijn er zorgen over enkele meer structurele ontwikkelingen. De discussie hierover spitst zich toe op de geringe kennisintensiteit van onze economie.

Met kennisintensiteit wordt bedoeld de mate waarin kennis aanwezig is en de mate waarin deze kennis wordt toegepast door bedrijven. Kennis is in feite net als bijvoorbeeld een computer of machine een produktiemiddel. Hoe meer we hiervan gebruiken des te hoogwaardiger zijn de produkten en diensten die we kunnen aanbieden. Door de technologische ontwikkeling en de internationalisering van de economie wordt kennis steeds belangrijker. De produkten en diensten moeten steeds beter worden en de produktietechnieken steeds geavanceerder. Het gaat hierbij niet alleen om fabrieken met machines die up-to-date zijn, maar ook om logistieke systemen die tot stand zijn gekomen door intensief gebruik van menselijke know-how.

Voor een ontwikkeld land als Nederland telt deze ontwikkeling extra zwaar. We willen en kunnen niet concurreren met lage loonkosten. Daarom draait het juist bij ons om slimme produktietechnieken en goederen en diensten die eruit springen vanwege kwaliteit en originaliteit.

De ongerustheid over de kennisintensiteit van de Nederlandse economie is niet zo vreemd. Bijna dagelijks lezen we in de kranten berichten over saneringen bij grote bedrijven waar hoogwaardige produktietechnieken toegepast worden. Sommige kennisintensieve bedrijven houden het hoofd nog maar nauwelijks boven het internationale water. Fokker is hiervan op dit moment een duidelijk voorbeeld.

Een meer kwantitatieve indicatie voor de kennisintensiteit vormen de uitgaven van Nederlandse bedrijven aan speur- en ontwikkelingswerk, R&D (Research & Development). De R&D-uitgaven door bedrijven bedroegen in 1993 5,7 miljard gulden, één procent van het bruto binnenlands produkt (BBP). Hiermee liggen we achterop - al jaren trouwens - bij vele andere landen zoals Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Het kabinet wil hier iets aan doen en kondigt daarom in de nota Kennis in beweging extra fiscale stimulering van R&D aan. Hierop is onlangs kritiek gekomen van ir. R. Hoijtink (NRC Handelsblad, 25 september 1995). Volgens hem is er weinig aan de hand met de R&D-uitgaven in Nederland, omdat de verhouding tussen de R&D-uitgaven en het BBP (kortweg R&D-intensiteit) gedaald is vanwege een op zich gezonde produktiestijging. Bovendien wordt in Nederland ten opzichte van vele andere landen een groot deel verdiend in niet-industriële sectoren, waar relatief weinig aan R&D gedaan wordt. Bij een internationale vergelijking van de R&D-intensiteit zou hiervoor gecorrigeerd moeten worden, aldus R. Hoijtink.

Naar ons idee zijn de redeneringen van de eerder genoemde auteur niet juist. Het argument van een toenemende BBP zou correct zijn als de R&D-intensiteit incidenteel onder de maat bleef. Het tegendeel is waar: alleen in de jaren '86-'89 komen we even boven de Europese middelmaat uit. Al snel hierna belanden we weer op het niveau van begin jaren tachtig. Een ander punt vormt de economische structuur, die afwijkt van andere landen. Hierbij zijn drie kanttekeningen op zijn plaats.

Ten eerste geldt voor vele sectoren hetzelfde als voor geheel Nederland: lage R&D-intensiteit in vergelijking met dezelfde sectoren van andere landen. Dit moet ook wel, gezien de lage macro-score van de R&D-intensiteit. (Zie hiervoor de rapportage over de technologische positie van Nederland Stemming 2 van Maureen Slabbers en Bart Verspagen). Ten tweede is het maar de vraag of Nederland zich kan neerleggen bij een opbouw van de economie die een lage R&D-intensiteit als logisch gevolg heeft. We zullen ons immers in de toekomst meer moeten toeleggen op kennisintensieve activiteiten. En op de derde plaats zal ook in de niet-industriële sectoren R&D steeds belangrijker worden.

Algemeen wordt aangenomen dat speur- en ontwikkelingswerk een belangrijke bijdrage leveren aan de economische groei. Verondersteld wordt dat R&D een direct en een indirect effect heeft op de economie. Op bedrijfsniveau leidt research tot betere produkten en slimmere produktietechnieken. Indirekt profiteren bedrijven van kennis bij andere bedrijven. Goede ideeën worden geïmiteerd of verder verbeterd en via goederen- en dienstenstromen kan de kwaliteit van het verbruik (bij produktie) verbeteren. Kortom: R&D-inspanningen brengen de economie op een hoger plan, en maken produktieprocessen en produkten kennisintensiever.

Vooral dankzij het werk van hoogleraar A.H. Kleinknecht is er de laatste jaren veel belangstelling voor de samenhang tussen R&D en bedrijfsprestaties. Ook op het Centraal Bureau voor de Statistiek is onlangs onderzoek gedaan naar de invloed van R&D-inspanningen op de bedrijfsresultaten. Met behulp van statistieken over produktie, R&D en prijzen is begonnen met de ontwikkeling van een databank die informatie bevat over produktie, verbruik, werkgelegenheid en R&D-uitgaven op bedrijfsniveau. Zodoende kunnen de belangrijkste bedrijven, die wezenlijk aan R&D deden gedurende meerdere jaren, gevolgd worden. Dit soort micro-informatie is bij uitstek geschikt om theoriën van het producentengedrag te toetsen.

Een belangrijke conclusie van het onderzoek is dat zelfs als de conjunctuur tegenzit R&D-investeringen nog goed zijn voor de produktiviteit. Dit betekent dat de R&D-uitgaven van bedrijven aantoonbaar bijdragen aan de economische groei. Verder is gebleken dat toename van produktiviteit niet per definitie samen hoeft te gaan met een afname van de werkgelegenheid. Bij de bedrijven die aan R&D doen, speelt de aard van het speur- en ontwikkelingswerk hierbij een rol. R&D kan betrekking hebben op procesvernieuwing of produktvernieuwing. De ontwikkeling van de werkgelegenheid is bij de produktvernieuwers gunstiger dan bij de procesvernieuwers. Het op de markt brengen van nieuwe of betere produkten leidt tot omzetstijging, die tot gevolg heeft dat de omzet per werknemer stijgt. Dit biedt bedrijven dan weer de ruimte om meer mensen in dienst te nemen.

Resumerend concluderen we, dat het kabinet terecht niet zonder zorgen is over de R&D-inspanningen van bedrijven. De R&D-uitgaven door bedrijven liggen in Nederland al jaren onder het Europese gemiddelde, terwijl wij in toenemende mate moeten scoren met kennisintensieve activiteiten. Bovendien blijkt uit recent CBS-onderzoek, dat R&D bedrijven produktiever maakt.