Belgische film uit het dal, blijkt in Gent

GENT, 25 OKT. De Belgische pendant van het Gouden Kalf heet de Joseph Plateau-prijs, vernoemd naar een 19de-eeuwse Gentse geleerde, die de traagheid van het menselijk oog en daarmee de voorwaarde voor de uitvinding van de film beschreef. Ze worden jaarlijks uitgereikt in het kader van het 'Internationaal Filmfestival van Vlaanderen - Gent', waar de Belgische cinema overigens slechts een bescheiden bijrol speelt.

De reputatie van Gent als een van de meest curieuze Europese filmfestivals werd onlangs bevestigd door de uitreiking van de Plateauprijzen op een 'verrassingslokatie'. Voor de ingang van het Gentse megaplex Decascoop stonden, deels in avondkleding gestoken genodigden te wachten op vervoer naar de zorgvuldig geheim gehouden plaats van de festiviteiten. Tot hun verbazing reed er een kolonne voor troepentransport ingerichte militaire vrachtwagens voor, met houten bankjes aan de zijkant van de open laadbak. Na enig gehobbel over de kasseien leverde deze stoet de gasten af voor de ingang van de grauwe Leopoldkazerne, waar een ruim bemeten zaal als galaruimte ingericht was.

Durf en verbeeldingskracht, gekoppeld aan een merkwaardig gebrek aan gezelligheid, kenmerken het huidige Belgische filmklimaat. Het omvangrijke programma van het Gentse festival wordt zonder veel omhaal uitgestort over de hoofden van een gewillig publiek, dat gewend is aan de gerieflijkheid van goede bioscoopzalen en een gevarieerd filmaanbod. De praktijk van de door een enkele exploitant geregeerd bioscooplandschap paart moderne opvattingen over schaalvergroting en comfort aan een ouderwetse gezapigheid. Tijdens het filmfestival waant de Nederlandse bezoeker zich soms in de jaren vijftig, de hoogtij van de bioscoopcultuur. Voorafgaand aan de voorstelling worden op de vleugel evergreens ten gehore gebracht, waarna de hoofdfilm voorafgegaan wordt door dia's van de 23 sponsors, begeleid door een speciaal gecomponeerde festivalouverture. Maar direct na de voorstelling staat de bezoeker weer op straat. Aan talkshows of persconferenties doet Gent niet, naar de leiding beweert wegens gebrek aan belangstelling bij de bezoekers. Ook de wandelgangen, waar tijdens een internationaal festival bezoekers elkaar plegen te ontmoeten, bestaan in Gent slechts uit een hotelkelder, waar een zigeunerstrijkje vergeefs tracht de stemming erin te brengen. De ambitie van Gent om binnen enkele jaren toe te treden tot de top-5 van de Europese filmfestivals lijkt op deze manier, ondanks de heel aardige programmering, nog verre toekomstmuziek.

Wel valt voor Nederlanders een les te leren uit de renovatie van de Belgische bioscoopcultuur. Door enorme investeringen is het filmbezoek sterk gestegen en bevindt ook de nationale filmproduktie zich niet langer in het dal, dat de Lage landen lange tijd gemeenschappelijk hadden. Gedurende de afgelopen zeven jaar werd drie keer een Belgische film genomineerd voor een Oscar: geen definitieve maat van kwaliteit, maar wel een indicatie. Van de eigen films trok gedurende het afgelopen seizoen de tamelijk platte lokale klucht Max de meeste bezoekers. Alle vier de Joseph Plateauprijzen gingen daarentegen naar een surprisehit, die ook al in Cannes de aandacht had getrokken. Manneken Pis, het regiedebuut van de jonge Frank van Passel, werd onderscheiden in de categorieën beste film, regisseur, acteur (Frank Vercruysse) en actrice (Antje De Boeck). Vanaf januari kan ook het Nederlandse publiek genieten van deze aanstekelijke film, die een originele visuele taal spreekt, slechts te vergelijken met een andere Belgische film als Toto le héros (Jaco van Dormael, 1989) en met die andere belangrijke Belgische bijdrage aan de beeldcultuur, de rijke striptraditie.

Gedurende het eerste half uur van Manneken Pis valt de kijker van de ene verrassing in de andere, meegesleept door de vrolijke Brusselse anarchie in de hofmakerij van een verbitterde keukenhulp door een ondernemende trambestuurster. Maar ook in deze film kent het feest een schaduwkant: het slot is verrassend deprimerend en grimmig, zodat je toch, aanvankelijk lekker gemaakt door de originaliteit en Schwung, met een lichte kater weer buiten staat.

Naast zulke gewaagde ondernemingen als Manneken Pis worden er in België, net als in Nederland, ook verbijsterend slechte films gemaakt, zoals de wereldpremières in Gent van Brylcream Boulevard (zie elders op deze pagina) en - nog veel erger - van Emile Degelins De ooggetuige bewezen. Van malaisegevoelens is echter geen sprake, integendeel. Film bestaat in België, als een vanzelfsprekend en onmiskenbaar onderdeel van de eigen cultuur. Zo vanzelfsprekend zelfs, dat er geen behoefte lijkt te bestaan aan reflectie, analyse en zelfonderzoek: je koopt een kaartje, je kijkt en je gaat weer naar huis. Zoals vroeger bij ons, toen de bioscoop op zichzelf al een attractie was.

    • Hans Beerekamp