Twee schilders met een flinterdunne band

Dubbeltentoonstelling van Jackson Pollock en David Alfaro Siqueiros. In de Kunsthalle, Grabbeplatz 4, Düsseldorf. T/m 3/12. Open: di-zo 11-18 u, vr 11-24 uur.

In de vroege lente van 1936, in een 'loft' aan East Fourteenth Street in New York, timmerde en schilderde een tiental beeldende kunstenaars er broederlijk op los. Zij maakten banieren, posters en een reusachtig uithangbord voor de komende Mayday-parade. Onder hen waren de 24-jarige Jackson Pollock en zijn oudere broer Sande. Het appartement was het onderkomen van de Mexicaanse muurschilder en communistische propagandist David Alfaro Siqueiros (1896-1974).

Siqueiros, naar New York gekomen voor het 'Eerste Amerikaanse Kunstenaarscongres tegen het Fascisme', richtte na afloop een 'Experimenteel laboratorium voor moderne technieken in de kunst' op. Kunstenaars konden onder zijn leiding experimenteren met nieuwe materialen en werkmethoden. Een modernisering van de schildertechniek was geboden omdat, volgens Siqueiros, een revolutionaire inhoud ook een revolutionaire vorm behoeft. Nieuwe, synthetische lakverven zoals de Duco-huislak, later Pollocks favoriete verf, mengde men met verf met zand, textiel en andere toevallig voorhanden zijnde materialen. Ze knepen de verf direct uit de tube of druppelden hem zo uit het blik op doek of paneel, gebruikten spuitbussen, fotografische middelen, sjablonen, enzovoort.

Na de eerste mei van 1936 hief Siqueiros zijn workshop op en verliet hij New York. De kortstondige 'samenwerking' tussen hem en Pollock is het uitgangspunt van een dubbelexpositie in de Düsseldorfse Kunsthalle. Van beide kunstenaars worden vijftig schilderijen en tekeningen getoond uit verschillende fasen van hun ontwikkeling.

De opzet van Jürgen Harten, directeur van de Kunsthalle, is om 'de vooroordelen die tijdens de koude oorlog over de kunst bestonden uit de wereld te helpen'. Deze 'vooroordelen' houden in dat communistische kunst figuratief-realistisch is, en de Amerikaanse avant-gardekunst abstract en dus anti-communistisch; volgens de gangbare opvatting sluiten communisme en modernisme elkaar dus uit. De tentoonstelling moet deze volgens Harten onjuiste opvatting bijstellen.

Het mag waar zijn dat Siqueiros geïnteresseerd was in vormexperimenten, en dat zijn werk strikt genomen niet realistisch is; ook mag het waar zijn dat Pollock, kind uit een arm boerengezin, korte tijd flirtte met het communisme, maar de verschillen tussen de twee oeuvres kunnen nauwelijks groter zijn. Kunst stond voor Siqueiros gelijk aan politieke propaganda, terwijl ideologie en propaganda bij Pollock geen enkele rol spelen. Pollock hield zich uitsluitend met schilderkunst bezig, voor hem hetzelfde als met zichzelf bezig zijn.

Siqueiros is een vertegenwoordiger van het 'Mexicaans muralisme', een stroming waarvan Diego Rivera en José Clemente Orozco de belangrijkste exponenten zijn. Zijn muurschilderingen verbeelden op heroïsche wijze het leven, de geschiedenis en de folkloristische tradities van het Mexicaanse volk. De voorstudies voor zijn muurschilderingen laten in Düsseldorf veel arbeidershelden zien, zoals een 'Proletarische moeder', gehurkt in een stenen cel terwijl drie kinderen zich aan haar vastklampen, of een 'Kop van een boer', zijn mond geopend in een schreeuw van protest.

Gaandeweg kregen Siqueiros' voorstellingen een magisch karakter, vol met verwijzingen naar oude mythen, zoals in de Centaur van de Overwinning. Donkere, steeds kosmischer wordende visioenen met zo groot mogelijke dieptewerking, geschilderd op holle, gekromde panelen die het effect hebben dat de kijker optisch naar binnen wordt gezogen. Een schilderkunst vol van bombast en pathetiek.

Pollock (1912-1956), daarentegen, probeerde de demonen die steeds opdoken uit zijn onderbewustzijn - aanvallende stieren en verslindende vrouwen - juist te bezweren. Hij bedekte ze met een web van 'drippings'. Zijn fameuze druip-techniek ontwikkelde hij in de tweede helft van de jaren veertig. Staande voor het op de grond gelegen doek liet hij de verf uit de lucht van een stok op het doek druppelen of stromen, alsof hij tekende in de lucht: een langzame beweging creëerde een dikke stroom, een snelle beweging een dunne stroom. Een ferme armzaai resulteerde in een cirkel, een abrupte polsbeweging in een ellips. Door een volle verfkwast uit te schudden ontstond een fijn waas, of een regenbui, al naar gelang de dikte van de verf.

Enkele jaren later zou Pollock terugkeren naar een rudimentaire figuratie en naar een suggestie van diepte, balancerend op de grens tussen het herkenbare en de abstractie. In Düsseldorf ligt de nadruk jammer genoeg sterk op de grote zwarte lak-schilderijen uit 1951, die niet tot zijn beste werk behoren en een eenzijdig beeld van zijn oeuvre opleveren.

Is Pollocks druiptechniek ontstaan in die workshop van Siqueiros? Sommigen beweren van wel. Maar die techniek was al niet meer nieuw. Pollock was er eerder mee in aanraking gekomen via de écriture automatique van surrealistische schilders-vrienden als Bill Baziotes, die verf uit de tube kneep in een 'automatisch' patroon op een op de grond liggend doek. Max Ernst, vanaf 1940 in Amerika, zwaaide met een doorboord verfblik, André Masson druppelde met lijm, andere surrealisten smeten verf over hun schouder heen. Pollock zelf had al eerder, toen hij nog in Californië woonde, bij zijn docent Frederick Schwankovsky verf laten druppelen op een met water bedekte glazen plaat.

De druiptechniek hing zogezegd in de lucht, en Pollock heeft zich deze techniek uiteindelijk toegeëigend en onder invloed van kunstcriticus Clement Greenberg het drippen tot thema verheven. Nee, de band tussen Siqueiros en Pollock is flinterdun, te dun om er zo'n grote expositie op te baseren. Hun combinatie levert geen nieuwe inzichten op, noch over het werk van de een noch over het werk van de ander. Vreemd genoeg worden de vooroordelen over communisme en modernisme, uitgangspunt van Kunsthalle-directeur Harten, juist bevestigd, en niet ontkracht, zoals hij wilde.

    • Janneke Wesseling