Je best doen helpt niet bij redden taal

Namens de Nederlandse Taalunie breekt Greetje van den Bergh in NRC Handelsblad (5 oktober) een lans voor een actief overheidsbeleid met betrekking tot het Nederlands. Drie aspecten van haar betoog vragen om een reactie.

Wat het eerste opvalt, is de preoccupatie van vrijwel allen die zich uit liefhebberij of gedrevenheid met hun eigen taal bezighouden voor spellingkwesties en andere secundaire zaken, zoals het gebruik van 'directrice' in plaats van 'directeur'. Zowel het gebruik van deze aanduidingen als de spelling is in eerste aanleg geen taalkwestie, maar een sociale aangelegenheid. Wat zij overigens beweert over de onmacht van computers om dubbelspellingen te begrijpen in vergelijking met wat 'taalgebruikers van vlees en bloed' daarvan terecht brengen, getuigt van een grove onderschatting van de snelheid waarmee deze elektronische taalgebruikers geperfectioneerd worden. Het kost slechts wat extra, steeds goedkopere, geheugenruimte om allerlei dubbelspellingen in het woordenboek van een met taal werkend programma op te nemen. De moeilijkheid van lezen ligt niet zozeer in het herkennen als wel in het interpreteren van wat er staat - en dat is ook voor “de lezer van vlees en bloed” nog steeds de kern van de problemen.

Ten tweede valt het één ander af te dingen op haar optimistische kijk op de invloed die wij als taalgebruikers op onze taal kunnen hebben. Uit haar betoog blijkt dat zij er - ten onrechte - vanuit gaat dat het al of niet blijven bestaan van een taal afhankelijk is van menselijke inspanning. Alsof een taal zoiets als een stukje van het Groene Hart van Nederland zou zijn, dat naar believen beschermd of prijsgegeven kan worden. Die gedachte geeft blijk van een niet ongebruikelijke zelfoverschatting met betrekking tot de kennis van onze leefwereld. Al is het mogelijk om de dampkring op Venus te analyseren, de massa van een elektron in een atoom te meten en een computer te maken die tienduizend berekeningen per seconde uitvoert, van zaken als de werking van onze hersenen en het wezen van taal is eigenlijk veel meer níet dan wel bekend. De periode in de geschiedenis van de menselijke taal die wij goed kunnen overzien - zo'n kleine vijfduizend jaar - is in verhouding tot de tijd dat er zoiets als menselijke taal bestaat, bijna verwaarloosbaar. Bovendien is taalverandering een uiterst langzaam verschijnsel: de verandering van het Nederlands gedurende de laatste duizend jaar is niet zodanig dat we onoverkomelijke moeilijkheden hebben met het begrijpen van oude teksten. Van de ontwikkeling van de taal als zodanig en die van individuele talen weten we echter bitter weinig. Waarom zijn in het verleden sommige talen verdwenen en andere ontstaan?

Achteraf zijn bepaalde details te verklaren, meer niet. Zeker is, dat het idee dat de pretentie dat we een taal kunnen laten voortbestaan door 'ons best te doen' niet is waar te maken. Het Fries verdwijnt als levende taal net zo goed als het Cornish en Etruskisch. Het Nederlands verdwijnt, of blijft bestaan zolang er aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Wat die voorwaarden zijn, kunnen we slechts veronderstellen. Wat wel zeker is, is dat talen geen eeuwig leven hebben en dat wat ons een tamelijk consistent verschijnsel lijkt, in feite niet meer is dan een momentopname. Talen veranderen, maar van de invloed die de gebruikers van een taal bewust hebben op het tempo van die verandering moeten we ons geen overdreven voorstelling maken.

Als derde aspect is daar de uit optimisme, of gebrek aan kennis geboren misvatting over de rol van het onderwijs. We kunnen ons in het basis- en voortgezet onderwijs inspannen om de kinderen 'behoorlijk' Nederlands te laten spreken, maar de schooljeugd zegt 'shit' als iets niet lukt, 'fuck you' klinkt - nu nog - minder ruw dan het Nederlands equivalent en graffiti verschijnt uitsluitend in Engels dat niet slechter is dan het geschreven Nederlands van de meeste Nederlandstaligen! Ondanks een eeuw lager onderwijs voor iedereen spreekt de overgrote meerderheid van de Hollanders nog steeds van 'hij heb', 'het leg daar' en 'dat ken niet'. De poging 'wentelwiek' heeft het moeten afleggen tegen 'helikopter' en het zeventiende-eeuwse 'pleithof' en 'onderworpeling' hadden geen kans tegenover respectievelijk 'parlement' en 'suppoost'.

Onderwijs zal moeten worden gegeven in de taal van de samenleving en niet andersom. Dat het onderwijs een taak heeft bij het uniform houden van de voertaal is iets heel anders. Moet het Nederlands plaatsmaken voor een andere taal, dan zal het onderwijs in die taal moeten worden gegeven. Dat de overheid een poging doet de zaak om te draaien - door alvast een voorschotje te nemen op een mogelijke ontwikkeling in de verre of niet meer zo verre toekomst - is noch in het belang van de taal, noch in het belang van het onderwijs, noch in het belang van de Nederlandse samenleving.

De kwaliteit van het onderwijs in het Nederlands is overigens niet zozeer een kwestie van kwaliteit, alswel een kwestie van het beschikbare geld voor onder andere het onderwijs in de moedertaal. Het is een gemakkelijke en vaak gehoorde kreet dat de 'kwaliteit van het moedertaalonderwijs' niet meer goed is. Het universitair en hoger onderwijs hebben er ook een handje van om slechte resultaten in hun eigen instituten toe te schrijven aan zo'n vrijwel onmeetbare factor die zich aan de eigen verantwoordelijkheid onttrekt. Maar dat is een kwestie die losstaat van het voortbestaan van het Nederlands als levende taal.

Het Nederlands zal als voertaal blijven bestaan zolang het voor mensen, zowel economisch als sociaal, aantrekkelijker is zich van het Nederlands te bedienen dan van een andere taal. Dat de vertaling van wat er op informele Europese ministerraden allemaal te berde gebracht wordt, niet meer in het Nederlands gebeurt, zal weinig uitmaken. Welke Nederlandstalige heeft ooit zo'n vertaling vrijwillig bekeken? Het gaat er niet om wat er op die tonnen in Brussel, Luxemburg en Straatsburg volgedrukt en, godzijdank, nooit gelezen papier staat, maar om de vraag hoe wij elkaar meedelen wat we dagelijks meemaken, hoe we elkaar een mop vertellen, hoe we in ons werk en thuis met elkaar communiceren. Zolang het Nederlands daar beter voor geschikt is dan welke andere taal ook, blijft het bestaan. Niet langer.