Gorazde na drie jaar andere wereld

GORAZDE, 24 OKT. “Mister bonbon. Mister bonbon!!” Kinderen, steeds meer kinderen, met zwarte vegen op hun gezicht. Overal duiken ze op, uit ruïnes en nissen. Met blote beentjes en veel te grote schoenen staren ze ons aan. Angstig en opgewonden, alsof ze getuige zijn van een buitenaardse landing.

Omgekeerd geldt hetzelfde: de eerste aanblik van het 'veilige gebied' Gorazde is een schok. Zelfs de Franse VN-soldaten zijn even stil. Het is niet alleen de totale verwoesting, maar het leven zelf. Het is alsof de donkere sluier van een andere eeuw over de stad heen hangt. De hooiberg naast de uitgebrande bioscoop. De totale stilte in de straten van een stad waar meer dan 50.000 inwoners en vluchtelingen zijn samengepakt. Alleen de kinderstemmen zijn te horen, en het verre geluid van bijlen op hout. Hoe hebben de mensen hier de afgelopen vier jaar overleefd? Hoe is het mogelijk dat Gorazde nog bestaat?

Sarajevo, die ochtend: snel duwt ze het pak in mijn handen. “Zeg haar dat ze moet blijven leven.” In het pak zit wat zout en melkpoeder voor haar oma in Gorazde. Ze krabbelt het adres op het grauwe papier en draait zich om. “Ga maar”, zegt ze en loopt haastig langs de tanks. “Ga naar Gorazde, en vertel ons alles voordat het straks te laat is.”

Bij de uitgebrande bibliotheek van Sarajevo verzamelt zich het derde VN-konvooi dat sinds het akkoord over de opening van Gorazde naar de enclave kan gaan. Lijzig leggen de Franse blauwhelmen de laatste hand aan hun materieel. 'Allemaal geiten', weten ze over de mensen die al vier jaar opgesloten zitten in de moslim-enclave. “Ze drinken er poederwater”, grapt een soldaat die al een half uur bezig is zijn machinegeweer op zijn tank te schroeven. Zijn maten slaan krom van het lachen en sukkelen verder.

Twee vrachtwagens met medicijnen. Meer is er tot nu toe niet binnengebracht in de enclave. Net als het eerste konvooi, vorige week woensdag, bestaat ook dit VN-konvooi alleen uit een lange sliert tanks. “Om de weg een beetje uit te proberen”, verklaart de commandant het gebrek aan hulpgoederen.

Een 'open route' tussen Sarajevo en Gorazde, zo staat er in de akkoorden die vorige maand in New York zijn bereikt. Maar nog steeds is Gorazde van de wereld afgesloten. Elk VN-voertuig, elk konvooi wordt bij de Servische blokkadeposten tegengehouden. Een Amerikaanse en een Zweedse cameraploeg zijn beroofd van hun materiaal en door de Serviërs teruggestuurd. Vrijdag werd een journalist door de konvooicommandant van de VN op het laatste moment teruggestuurd, “omdat de Serviërs voorlopig geen journalisten willen”.

Hoezo willen de Serviërs geen journalisten? De weg dient toch 'open' te zijn voor elke bezoeker?

Pagina 4: In Gorazde heeft elke wees een moeder

'Allons y les enfants', roept de Franse commandant tegen elven. “We gaan het proberen.” Een witte slang van staal zet zich in beweging. Door de linies van Sarajevo rijden we Bosnisch-Servisch gebied binnen. De verwoesting gaat over in een arcadisch landschap vol dikke koeien en fris geverfde chalets. Moeiteloos nemen we eerste blokkades. Bij de vierde worden we tegengehouden. Twee jeeps met ongewapende militaire VN-waarnemers zouden 'zonder toestemming' op weg naar Gorazde zijn. De Serviërs hebben de achtervolging op hen ingezet. En tot zolang wordt het konvooi 'even in gijzeling gehouden'.

Een uur later mogen we verder. Het landschap verandert. De puinhopen van de etnische haat verrijzen tussen de heuvels. Hele dorpen zijn platgebrand, terwijl de overgebleven Serviërs hun nieuwe villa's pal naast de karkassen van de moslim-huizen optrekken. In Rogatica springt er een jongetje op de weg. Niet ouder dan vier is hij, met een blauw jasje en zacht roze wangen. Met zijn vingers maakt hij het Servische overwinningsteken. Zijn gezicht is vertrokken in een ijzige grimas.

Gorazde dan. Plotseling dook ze op tussen de kinderen. Een open gezicht boven gerafelde kleren. Haar schoenen met touwen bijeen gebonden. “Welcome stranger”, zei Sabina (20), en greep mijn overgebleven hand, de ander was bezet door de ijzige vingertjes van Alija. Vol vertrouwen had de kleuter zijn hand in de mijne gelegd. Als klein duimpje stapt hij voort in zijn veel te grote kaplaarzen. Zijn roze sloppak al twee jaar ontgroeid; zijn hoofdje vol wonden. Hij is een van de 1.600 wezen en halfwezen uit de stad. En hij neemt het ervan. Hij geeft kusjes en knuffels. Die avond laat hij mijn hand niet meer los.

Zo stappen we met zijn drieën voort, de 'hoofdstraat' in. Taferelen uit lang vervlogen tijden. In de geblakerde ruïnes van een huis knippen twee vrouwen het haar van een man. In een afgeschroefde autospiegel controleert hij het resultaat. Verderop leggen een paar mannen de laatste hand aan een zelfgebouwde kast. Een mager paard trekt een kar. De zesde industriestad van ex-Joegoslavië is in vier jaar tijd teruggeworpen in de Middeleeuwen.

Toch heerst er een soort rust. De geur van hout. Het ruisen van de Drina die de stad in tweeën deelt. Vrouwen wassen kleren in het ijskoude water. In de stroomversnelling draaien honderden mini-dynamo's die van oude wasmachinetrommels zijn gemaakt. “Alles wat we willen moeten we zelf maken”, vertelt Sabina. De oorlog heeft haar meer veranderd dan ze ooit vermoedde. Ze leefde zoals alle jongeren voor disco, kleren en geld. Van een druppeltje bloed ging ze al van haar stokje. Ze heeft nu zoveel doden gezien. Na elke granaataanval hielp ze met het bergen van lijken. Ze weet nog goed de eerste keer. “Ik werd niet misselijk. Ik viel niet flauw. Ik keek naar die lichamen en probeerde te begrijpen hoe de dood eruit zag.” Hoe vaak heeft ze hem vlakbij gevoeld. Die keer dat ze water haalde met een vriendin. Een granaat viel op vijf meter van hen vandaan. Ze lieten zich op de grond vallen en lachten en lachten. “Ik heb kinderen zien doodgaan, en ik was een steen. Je hebt nog steeds honger. Je bent nog steeds in leven. En je wil lol maken met je vrienden en de liefde bedrijven. Ik kan het haast niet begrijpen.”

Zuchtend gaat ze zitten op een stapel hout, terwijl de kleine Alija zich nestelt in de warmte van een vreemde schoot. Op straat worden de mensen langzaam schimmen. Nergens is enig licht te bekennen. Geen kaarsen, geen olie. Met de avond komt slechts diepe duisternis. Alleen de stemmen leggen nog verbanden tussen de mensen.

In het donker schildert Sabina de beelden van vier jaar leven in Gorazde. Ook zij heeft de dodentochten gemaakt, veertig kilometer over de bergen naar Crebac, waar de voedselhulp lag die de Serviërs de stad onthielden. “Rotsen. Sneeuw. Nacht. Je ziet niets. Als je het pad kwijtraakt kom je nooit meer terug. Servische hinderlagen, of je vriest dood.” Op zulke nachten verloren de mensen drie tot vier kilo. Velen stierven: “Honger. Kou. Je geeft op. Je gaat zitten. Je krijgt zoete dromen. Dan ben je bevroren.”

Nog steeds op de tast gaan we laat in de avond naar het schoolgebouw waar Alija 'woont'. Vredig slaapt hij in mijn armen, terwijl onze voeten het wegdek aftasten. Lichamen glijden zacht langs ons heen. We klimmen over metaalresten en gaan door iets van een tuintje. Dan staan we opeens in een kamer waar vrouwen wonen. Hun fluisterende stemmen klinken vertrouwd. Twintig vrouwen op de vloer in één kamer. Al drie jaar wonen ze hier. Ze hebben niets. Toch heeft één van deze vrouwen Alija bij zich genomen. Zoals alle weeskinderen in de stad een moeder hebben gevonden. “Hoe is het mogelijk dat mensen in deze situatie nog aan anderen denken”, vraag ik Sabina. Ze glimlacht en spreidt haar handen. “Ik denk dat dat de reden is dat Gorazde nog steeds bestaat. We hadden geen wapens, geen kanonnen, niets. Keer op keer liet de wereld ons in de steek. Toch zijn we nog hier, in deze enclave waarvan iedereen wil dat hij van de landkaart verdwijnt.”

    • Marjon van Royen