Geuren

Als kind had de briljante geleerde getwijfeld aan de mogelijkheid om alles te weten. Hij vroeg zich af of de menselijke zintuigen wel een volledig beeld van de wereld konden geven. Vijf zintuigen had de mens. Waarom niet zes of zeven? Hij dacht aan de blinde, die zich goed weet te redden in de wereld van de zienden. Wat hij niet ziet, hoort hij of hij voelt of ruikt het. Maar hoe goed hij zich ook weet te redden, er is toch iets wat de blinde nooit zal weten: hoe de dingen eruit zien. En als iedereen blind zou zijn, omdat er toevallig niet twee gaten boven de neus zouden zitten maar slechts huid, dan zouden die mensen zonder ogen ook heel goed door het leven kunnen gaan, maar er zou toch iets zijn waarvan ze geen benul hadden: dat er licht bestond.

Het zou wel heel toevallig zijn als de vijf zintuigen van de mens net voldoende waren om de hele wereld te bevatten. Er moesten natuurverschijnselen zijn die onkenbaar waren, niet omdat ze in principe bovenzinnelijk waren, maar omdat de mens er het zintuig niet voor had.

Zo dacht het kind. Later besefte het dat het een drogreden was geweest. Er zijn veel dingen die we niet kunnen zien, maar waarvan we toch weten, zoals elektriciteit. We maken de verschijnselen zichtbaar op onze metertjes. Maar we zouden ze ook hoorbaar kunnen maken, of ruikbaar. Toen het kind groot geworden was, wist het dat we de natuurverschijnselen nooit rechtstreeks ervaren, maar alleen door de veranderingen die ze teweegbrengen in de materie van onze meetapparatuur. En als de stof van de meetapparatuur veranderde, dan veranderde die ook in alle aspecten: beeld, klank, reuk, smaak, tastbaarheid. Het kind dat een geleerde was geworden, besefte dat de vijf zintuigen van de mens niet door een wonderbaarlijk toeval net geschikt waren om de hele wereld te kennen, en dat ze ook niet ontoereikend waren, zoals hij vroeger had gedacht, maar dat de natuur ons een overvloed aan instrumenten had geschonken. Ieder zintuig was op zichzelf voldoende om de hele wereld te ervaren. Ook in het land der blinden zou men weet kunnen hebben van het licht.

Dit inzicht leverde hem het project waaraan hij de rest van zijn leven zou wijden. De natuurwetenschap zoals we die kennen is gebaseerd op het oog. De geleerde stelde zich tot doel een natuurwetenschap te formuleren die niet van het oog gebruik maakte. Hij wist nu, dat het dezelfde zou zijn als de traditionele. Aanvankelijk dacht hij aan de natuurkunde van het oor, maar tenslotte besloot hij tot een nog ambitieuzer project: in principe moest het mogelijk zijn om de natuurwetten af te leiden op grond van de ervaringen van de neus. De grootsheid van zijn plan deed hem duizelen. Zou het werkelijk mogelijk zijn om de relativiteitstheorie in geuren te vertalen? Hij aarzelde. Kon het licht van de sterren geroken worden? Nee, maar vele sterren kunnen ook niet gezien worden, omdat hun licht de aarde pas over vele jaren zal bereiken. Toch is er plaats voor die sterren in onze theorieën. Het stof van de maan komt op aarde en in onze neus. De maan is ruikbaar. In de natuurkunde van de geuren zou het zonnestelsel een concrete reukervaring zijn en theoretische extrapolatie zou de rest doen.

Alles wat gezegd kan worden, kan ook geroken worden. De geleerde besefte dat hij in een geurenlaboratorium een geurentaal zou moeten construeren. Wat zouden de elementen van deze taal moeten zijn? Het zou geen alfabettaal zijn, zoals ons schrift, dat op klanken is gebaseerd. De elementen van de geurentaal zouden meer lijken op de Chinese karakters. Tienduizend geurelementen zouden voldoende zijn voor een bruikbare taal. Hooi, melk, benzine, cement en de excreties van de mens waren de eerste bouwstenen van zijn taal.

Hij wist dat hij zich moest beperken. Niet de hele moderne natuurwetenschap zou hij kunnen afleiden. Een mensenleven is eindig. De natuurverschijnselen geven hun geheimen weliswaar volledig prijs in de geur, maar het gaat langzaam. Hij zou zich beperken tot de reconstructie van de Griekse wetenschap. Zijn project ging in tegen de geest van de tijd. Alles gaat sneller en wordt compacter. Het is gewoon dat de volledige Griekse cultuur gecomprimeerd wordt aangeboden op een computerschijfje. Hij zou de Griekse wetenschap langzaam ontvouwen in een weelderige geurentaal.

Zijn project veranderde hem. Aanvankelijk hield hij ogen en oren dicht om de reuk te scherpen, maar later was dat niet meer nodig en bestond zijn wereld uit geuren, ook als hij ogen en oren open hield. Gezicht en gehoor stierven vrijwel af, zoals de reuk bij de meeste mensen bijna is afgestorven, maar de wereld die hij ervoor terugvond was rijk en wonderbaar. Zijn nieuwe wereld was vreedzaam. Weliswaar wordt er gezegd dat de mens in zijn contacten met de tegenmens een agressief geurspoor pleegt achter te laten, maar in de praktijk bleek dat erg mee te vallen. Het agressieve geluidsspoor en beeldspoor dat de moderne mens trekt, is veel opvallender. Slechts zeer zelden overkwam het hem dat de tegenmens van agressie opzettelijk stonk, en het agressieve lawaai hoorde hij niet meer. Hij leefde in een langzame wereld zonder goed en kwaad. Dat hij tenslotte geheel van menselijk gezelschap verstoken bleef, deerde hem niet.

Zijn laboratorium was een ontmoetingsplaats geworden van de dieren des velds, die zijn proefnemingen met achteloze belangstelling volgden. De geleerde was in zijn reukzin nu zo gescherpt, en het geurenorgel dat zijn spraakorgaan was geworden was nu zo groot en soepel, dat de communicatie met de scherpste speurhond een moeiteloos genoegen was geworden. Vaak had de geleerde zich afgevraagd of de dieren zijn wetenschappelijke onderzoekingen begrepen, maar in hun geurentaal, hoe rijk aan uitdrukkingsmogelijkheden die ook was, hadden zij daarover nog geen uitsluitsel gegeven. Hij bleef hopen en in zijn hart was zijn hoop al veranderd in zekerheid.

Na jaren van onderzoek was hij klaar voor zijn eerste demonstratie. De wet van Archimedes, over het in water gedompelde lichaam. De ervaringen van oog en oor die de grote Griekse denker tot zijn wet hadden gebracht, en ook de wiskunde waarin zijn wet was vastgelegd, had de geleerde tot in het kleinste detail in geuren omgezet. Hij zette zich aan zijn orgel en reeds bij de eerste geuren van zijn demonstratie kwam het antwoord van de dieren hem tegemoet. Eureka, geurden zij vriendelijk en bemoedigend. De geleerde vervolgde zijn taak en het kwam hem voor alsof hij een vrolijke baby was die zijn eerste woordjes stamelde.

    • Hans Ree