Een toenemend gevaar voor derden

Hij heeft iets van een geheimzinnige, zwarte goeroe. Lange gestalte, markante kop. Pas als je verder kijkt, zie je dat er iets mis is met hem. Hij loopt met onvaste stappen, bijna zwalkend soms, en hij houdt zijn blik zoveel mogelijk neergeslagen. Als hij eenmaal praat, blijkt hij een ten diepste verward man.

Josef Branders, 42 jaar, worden liefst acht delicten ten laste gelegd. De zwaarste betreffen de vrijheidsberoving van en poging tot doodslag op zijn buurvrouw Willy Diependaal.

“Kunt u zich herinneren dat u naar uw benedenbuurvrouw bent toegegaan?” vraagt mevrouw mr. R. Meertens, de voorzittende rechter van de Utrechtse rechtbank.

Branders haalt zijn schouders op. “Het is allemaal te veel voor me”, zegt hij. “Ik heb het gewoon gedaan, zal ik maar zeggen. Dan zijn we er meteen mee klaar.”

“U probeerde haar te redden...”, gaat de rechter door.

“Voor mij hoeft het niet meer”, onderbreekt Branders haar. “Ik zit al een half jaar vast. Men kan met mij doen wat men wil. Men ziet mij als een gek, een fantast. Ik leg me daar maar bij neer.”

“Wij zijn hier om te achterhalen wat er is gebeurd”, probeert de rechter weer.

Zo goed en zo kwaad als het kan, geeft zij de feiten weer. Op 20 januari van dit jaar liep Branders bij zijn buurvrouw binnen. Hij had een spons en een bijbel meegenomen. Hij vroeg waar haar vriend was. “Ga weg”, zei ze, maar hij bleef en hij werd zelfs boos toen ze hem met 'u' bleef aanspreken. Ze kenden elkaar toch al wat langer? “Je vriend is vermoord”, zei hij, “nu zullen ze jou ook vermoorden.”

“Was u bang dat haar iets zou overkomen of wilde u haar kwaad doen?” vraagt de rechter.

“Het heeft geen zin”, zegt Branders. “In zes maanden is men er niet achtergekomen wie ik ben.”

Volgens de lezing van Willy moest ze naast Branders op de bank komen zitten. Hij noemde haar een mooie vrouw en probeerde haar te zoenen. “Als je geen respect voor me hebt, vermoord ik je”, zei hij. Hij kneep haar keel dicht. Willy ontworstelde zich aan hem en klom in paniek uit het raam van haar flat op de derde verdieping. Op een richeltje van vijf centimeter hield ze zich staande, terwijl ze om hulp riep. Omwonenden hoorden haar, evenals haar vriend die meteen toesnelde om haar te bevrijden.

Zo liep alles toch nog goed af. Maar het had in een ramp kunnen eindigen - en daarom heeft dit gezelschap zich vandaag bij de rechter verzameld. Josef Branders is een notoir psychiatrisch 'geval', zoals ze zo vaak tegenwoordig in het openbare leven te signaleren zijn. Vanaf 1986 is hij zeventien maal opgenomen in een psychiatrische inrichting en heeft hij dertig bezoeken afgelegd bij de Riagg.

Het eigenaardige is dat Branders de psychiatrische behandelingen steeds min of meer afdwingt, maar zijn medewerking intrekt zodra hij opgenomen is. Dan weigert hij opeens alle voorgeschreven medicijnen in te nemen. In de tussentijd blijft hij zich bezondigen aan allerlei strafbare feiten. Zo staat hij nu tevens terecht voor de mishandeling van enkele hulpverleners.

Liever had men hem uit het strafrechtelijke circuit gehouden, vertelt de rechter, maar er was zo langzamerhand geen andere keus. “Het wordt maar niet beter met u. De forensische psychiater heeft ook met u gepraat. Weet u dat nog?”

“Uit goed fatsoen heb ik die man te woord gestaan, maar ik heb hem wel gezegd dat hij zich niet met mijn zaken moest bemoeien.”

“Hoe vond u het in het Pieter Baan Centrum?”

“Niet zo best. Ik had er gesprekken met een mevrouw die veel haast had.”

In het Pieter Baan Centrum constateerde men een chronisch psychiatrisch ziektebeeld met trekken van paranoïde schizofrenie. Sterk anti-sociaal gedrag en verergering van de psychosen. Een toenemend gevaar voor derden. Advies: tbs met verpleging, temeer daar Branders eigenlijk al jarenlang medicatie weigert.

“Ik ben gek geworden”, zegt Branders als hij deze opsomming heeft aangehoord.

“Dat zeggen ze niet”, troost de rechter.

Maar Branders mag dan gek zijn - hij laat zich niet voor de gek houden. “Ze weten het allemaal beter”, zegt hij.

“Als iemand suiker heeft, moet hij ook medicijnen nemen”, zegt de rechter. “Als de dokters nou zeggen dat het goed voor u is...”

“Daar heb ik helemaal geen vertrouwen in. Want ik ben toch gek geworden? Ik wil trouwens niet meer in dit land blijven wonen.”

“Slikt u nu medicijnen?”

“Nee. Word ik gedwongen om ze te nemen?”

“Nee.”

“Als je achter slot en grendel zit, heb je niks te vertellen. Maar het leven kunnen ze me niet ontnemen.”

De rechter heeft de indruk dat hij een bijzonder eenzaam leven leidt. Ze vraagt of hij familie in Nederland heeft. Branders knikt.

“Weten ze dat u vastzit?”

“Dat weet ik niet. Ik heb alleen met mijn advocaat gepraat.”

Er is alle reden om een diep medelijden met hem te voelen, maar laten we Willy Diependaal niet vergeten. Zij was bijna het slachtoffer geworden van de passiviteit van een samenleving die zich geen raad weet met patiënten als Josef Branders. Al geruime tijd waren de omwonenden verontrust door het vreemde gedrag van Branders. De psychiatrie wist hoe ziek hij was, maar ondernam niets om te voorkomen dat hij onder de burgers terugkeerde - zonder medicijnen. In het jaar voorafgaand aan zijn bedreiging van Willy had hij liefst drie mensen mishandeld.

Willy is zelf niet in de rechtszaal aanwezig, wèl haar vader. Als de advocate van Branders, mevrouw mr. A. Beijnes, betwist dat Willy blauwe plekken in haar nek had, roept de vader boos: “Ik heb ze zelf gezien!” Het komt hem op een waarschuwing te staan van de rechter.

“Mijn cliënt heeft anderhalf jaar tevergeefs geschreeuwd om hulp”, zegt de advocate. Volgens haar kreeg hij in een bepaald opvanghuis geen toegang meer. Ze vraagt vrijspraak van de vrijheidsberoving. “Als vaststaat dat iemand vóór het delict al aan een psychiatrische ziekte leed, kan opzet niet bewezen worden.”

“De opzet is er wel degelijk”, zegt de officier van justitie, mevrouw mr. H. Rutgers, “maar het kan hem niet worden toegerekend.” Ze eist ontslag van rechtsvervolging, maar tevens tbs met dwangverpleging.

Terwijl zijn advocate voor hem pleit, houdt Branders zijn wijsvingers in zijn oren. “U hoeft niet voor me te pleiten”, heeft hij al een paar keer geroepen.

Zo blijft hij op zijn stoel zitten, opgesloten in zijn lichaam, en alleen nog maar in staat naar zijn eigen stem te luisteren.

(Het vonnis, twee weken later: conform de eis.) De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.