Een publieke dwaling

DEN HAAG. Hij hoorde tot de generatie bestuurders die met vaste hand en stevige lijnen de Nederlandse steden en dorpen groot maakte. Hij had een witte kuif en een noordelijke stem, en hij gold als de degelijkste van de sociaal-democraten, een steun en toeverlaat als het werkelijk aankwam op precisie en integriteit. Maar afgelopen vrijdag viel hij, en door de geschilderde gaten in het plafond in de zaal van de Eerste Kamer keken onze zeventiende-eeuwse voorvaderen toe hoe zijn gezicht langzaam roder werd, hoe zijn stellige conclusies stuk voor stuk onderuit werden gehaald, hoe zijn parmantige zinnen op drijfzand bleken te berusten, en hoe zijn ontluistering langzaam werd voltooid.

Het verhoor van de voormalige burgemeester van Enschede, Ko Wierenga, werd op de publieke tribune gevolgd door een stuk of wat oudere mannen, twee drukke gezinnen en een paar jongens met honkbalpetjes. Beneden in de zaal van de parlementaire enquêtecommissie hing de intieme sfeer van mensen die al weken met dezelfde klus bezig zijn. Er waren rituelen ingesleten rond zitplaatsen en gevulde koeken, en de bodes maten aan de glazen water die ze moesten aandragen of iemand loog of niet. Voor de journalisten was er pal naast de zaal een kleine koffiekamer waar de verhoren via een televisiescherm gevolgd konden worden, maar nu overgoten met het cynisme van de toeschouwers. Wie wekenlang deze parade van arrogantie, domheid, botheid, leugenachtigheid, incompetentie, lafheid, en onverantwoordelijkheid aan zich voorbij had zien trekken had nu eenmaal weinig verwachtingen meer over de kwaliteiten van de justitiële top van dit land.

Ko Wierenga was echter anders dan de anderen. Hij was geen deelnemer, hij was geen medeplichtige, hij zat niet in het wereldje, hij was een keurige bestuurder die snel en afdoende een politierel de wereld uit moest helpen omdat de verkiezingen eraan kwamen, die daarna verdwaalde in de materie en tenslotte aan alle kanten werd beetgenomen en misbruikt. En dat alles kon gebeuren, juist omdat hij zo'n integere man was, en omdat binnen de bestuurstraditie waarin hij zijn hele leven had doorgebracht zaken die rond de IRT plaatsvonden eenvoudig ondenkbaar waren. Politiek was zijn verhoor vermoedelijk het interessantste van de hele enquête. Wierenga was immers als eerste verantwoordelijk voor het rapport van de Bijzondere Onderzoekscommissie IRT dat in april vorig jaar heel Nederland op stelten zette, dat de toon aangaf bij een electorale aardverschuiving en dat uiteindelijk leidde tot het vertrek van maar liefst twee ministers: Ernst Hirsch Ballin en Ed van Thijn.

Onder het fileermes van de commissie-Van Traa bleef die middag echter van alle stelligheden in het rapport verbijsterend weinig over. Bij de beschrijving van de opsporingsmethode van het IRT - volgens de commissie Wierenga 'weloverwogen', 'zorgvuldig' en 'niet onrechtmatig' - bleek men bijvoorbeeld slechts op degenen te zijn afgegaan die de methode ook bedacht hadden. Nooit had de commissie-Wierenga stap voor stap nagegaan hoe zo'n drugstransport precies verliep, wie het transport verrichtte, waar de zogenaamde deklading bleef, hoe de informant betaald werd. Vraag: “Wist u dat een deel van de criminele gelden werd gespendeerd aan politie-uitrusting en dergelijke van het IRT-team?” Antwoord: “Toen ik daar kennis van nam, geloofde ik mijn eigen oren niet.”

Belangwekkender nog waren de verschillen die in het verhoor naar voren kwamen tussen het openbare gedeelte van het rapport-Wierenga en het geheime gedeelte. Zo fungeerde de informant volgens het openbare gedeelte van het rapport slechts als informatiebron, hij pleegde, zo schreef de commissie letterlijk, “geen feitelijke handelingen met betrekking tot de handel in verdovende middelen”. Uit het geheime deel bleek echter duidelijk dat de informant zich bezighield met een van de belangrijkste onderdelen van de drugshandel: het transport. In het openbare gedeelte schreef de commissie dat alle activiteiten van de informant op zorgvuldige wijze werden gecontroleerd en vastgelegd. In het geheime gedeelte werd gebillijkt dat dat juist níet gebeurde, ook niet wat de betalingsafspraken betreft - en de commissie-Van Traa heeft zulke verslagen ook na eindeloos zoeken niet kunnen vinden. In het openbare deel werd met geen woord gerept over drugs die via de informant op de markt werden gebracht. Uit het geheime deel bleek dat het maar liefst om zo'n 45.000 kilo ging. Van Traa: “U schreef alleen: er zijn géén harddrugs op de markt gebracht. Had het niet in de rede gelegen om daaraan toe te voegen: maar wel aanzienlijke hoeveelheden softdrugs?” Wierenga: “Maar dat doorlaten was de essentie van de werkmethode van het IRT.” Van Traa: “Maar als doorlaten de essentie was, waar kan ik dat dan in het openbare gedeelte terugvinden?” Zo verloor uur na uur het Nederlandse bestuur aan onschuld, daar in die Eerste Kamer, en dat proces weerspiegelde zich in de persoon van Ko Wierenga.

Er bestaat rechterlijke dwaling, maar er is ook iets als politieke en publieke dwaling. Zo langzamerhand lijken het rapport-Wierenga en de nasleep daarvan een ernstig geval van het laatste te zijn. Al legde het rapport terecht de nadruk op de totaal verziekte verhoudingen bij politie en justitie, op andere, even essentiële punten blijken publiek en parlement niet geïnformeerd en soms, onder het mom van geheimhouding, zelfs ronduit misleid te zijn. Sterker nog: het rapport-Wierenga werd, door zijn eenzijdigheid, een onderdeel van het conflict dat het zelf beschreef. En in dat conflict ging het om veel meer dan alleen de politie. Het ging niet in de laatste plaats ook om Amsterdam tegenover de rest van Nederland, om de cultuur van 'Amsterdam doet gewoon, en wij dragen in Den Haag de gevolgen' - zoals een geïnterviewde topambtenaar het uitdrukte.

Er valt dus straks heel wat uit te leggen: aan de Amsterdamse politie die, na een uiterst succesvolle reorganisatie, werd beloond met een Haagse hetze die zijn weerga niet had in de geschiedenis; aan iemand als Ed van Thijn die op oneigenlijke gronden zijn politieke loopbaan heeft moeten afbreken; en niet in de laatste plaats aan het Nederlandse publiek.

Er is echter geen enkele reden voor het triomfalisme dat hier en daar in het Amsterdamse merkbaar is. De hoofdstad zal zijn eigen lessen uit de IRT-affaire moeten trekken. Het suizende koeltje dat vorig jaar opeens tot een zuidwesterstorm aanwakkerde kwam immers niet zomaar ergens vandaan. De vurige haat die in die weken opeens uit het land op de hoofdstad afrolde is iets waar elke Amsterdamse bestuurder nog wel eens bij stil zou mogen staan. Al had Ko Wierenga het bij het foute eind, zo'n ruzie met zo'n keurige man uit Enschede moet tot diep nadenken stemmen.

    • Geert Mak