De proef op de som

Over beleggen via een verzekering, dus niet rechtstreeks zelf op de beurs, schrijft een Amsterdamse: “Mensen die hard werken en niets van de beurs (willen) weten, zoeken iets waarbij je overal vanaf bent. Ik heb drie beleggingsverzekeringen lopen. Over de rente en dividenden betaal ik geen inkomstenbelasting, de poliswaarde telt niet mee voor de vermogensbelasting en de slotuitkering is belastingvrij. Aandelen leveren gerekend over een lange periode toch meer op dan andere investeringen? Dan maakt het niet uit langs welke weg je daarin belegt! Switchen van een beleggingsfonds naar een ander? Wil ik helemaal niet. Voor mij gaat er niets boven beleggingsverzekeringen.”

Daarentegen verfoeit een Rotterdamse haar pensioenpolis die belegt in een aan de beurs genoteerd obligatiefonds: ze telde alle betaalde premies samen en constateert dat de fondswaarde niet navenant steeg. Hoe kan dat? De polis geeft antwoord op die vraag.

De eerste 5 jaar werden voor slechts 40 procent van de premie (circa 5.000 gulden per jaar) participaties in het fonds gekocht. De rest (in 5 jaar: 15.000 gulden) ging op aan provisie voor de tussenpersoon, beginkosten van de verzekeraar en jaarkosten als overlijdensdekking, vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid en administratiekosten. Vanaf het zesde jaar tot de einddatum houdt de verzekeraar alleen de jaarlijkse kosten in en belegt 91,5 procent van de premie.

De genoemde eerste en doorlopende kosten verklaren de relatief geringe groei van de polis. Daar komt bij dat de koers van het obligatiefonds op en neer gaat met de rente: rente omhoog, koers omlaag en rente omlaag, koers omhoog. Begin dit jaar deed het fonds 120 gulden en eind vorige week was de hoogste stand in de afgelopen twaalf maanden 140 gulden, even hoog als eind 1993.

De premie voor de polis mag zij aftrekken van het belastbare inkomen. De lezeres betaalt dus per saldo 2.500 gulden (50 procent van 5.000) per jaar aan de verzekeraar. Dit belastingvoordeel steek je als verzekerde liefst in eigen zak, maar dat lukt niet in zo'n fiscaal vriendelijke verzekeringsconstructie.

Het tweede voorbeeld illustreert de invloed van de eerste en doorlopende kosten. Wanneer je die zelf belegt, zeg tegen 6 procent per jaar en onbelast, dan levert dat over een periode van 30 jaar 100 duizend gulden op. Is dat een reden om rechtstreeks op beurs, en niet via deze pensioenverzekering, participaties in het obligatiefonds te kopen? Nee, niet direct en wel om drie redenen.

Beide dames weigeren zich te verdiepen in de beurs en zelf te beleggen. In het tweede geval zijn de premies aftrekbaar, wat de netto investering met 50 procent vermindert. En ten derde: waarom een obligatiefonds? Het lijkt veilig, daarom worden obligaties vaak aanbevolen voor de oudedag, maar de koersen kunnen flink fluctueren en de opbrengst blijft achter bij die op aandelen, althans op langere termijn. Veiligheid heeft dus een prijs.

Waarmee zijn deze dames, en gelijk denkenden, over te halen tot een andere benadering? Misschien met deze proef op de som. Koop per 1 januari a.s., op papier en rekening houdend met kosten, voor drie mandjes aandelen van 5.000 gulden en bepaal de waarde op 31 december 1996 met de slotkoersen van dat jaar en de uitgekeerde slot- en interimdividenden (bel daarvoor uw bank) inbegrepen. Vergelijk de procentuele waardestijging van die mandjes met de jaaropgave van de verzekeraars over lopende polissen. Eén jaar is een korte vergelijkingsperiode, maar wellicht komen er interessante verschillen uit de bus.

Welke aandelen komen in aanmerking? In die keuze is iedereen vrij, maar omdat het gaat om mensen die juist niet vrij willen zijn, volgen hierna drie voorbeeldportefeuilles.

De eerste betreft de vijf over meerdere sectoren gespreide favorieten van het ING Bank Effect Hypotheekplan (zie deze rubriek van vorige maandag) voor de lange termijn: Dordtsche Petroleum, Wolters Kluwer, Unilever, CSM en Aegon. Die fondsen keren meestal onbelast stockdividend uit. Stop duizend gulden in ieder aandeel.

De tweede ING lange termijn-portefeuille (vorige week niet vermeld), de tweede keus, bevat Elsevier, Polygram, Hagemeyer, Heineken en IHC, die niet allemaal stock-dividend uitkeren. Stop duizend gulden in ieder aandeel.

Het lease-bedrijf Legio Lease (dochter van Labouchere en kleindochter van Aegon) ziet voor de lange termijn heil in de financiële waarden: ABN Amro, Aegon, Fortis-Amev en ING. Zo komt de laatste toch in beeld, want de bank wilde het eigen aandeel (om niet op te scheppen, zegt een woordvoerder) niet aanbevelen in het hypotheekplan. Ook deze vier keren als regel (voor een deel) stockdividend uit. Stop 1.250 gulden in ieder aandeel.

Wie niet wil wachten tot volgend jaar, kan over dit jaar een vergelijking maken. Vraag uw beleggingsadviseur om raad.