Sportmuseum lijkt gebouwd door een geniale amateur

Gebouw: Nederlands Sportmuseum. Opdrachtgever: Stichting Gebouw Nederlands Sportmuseum. Locatie: Lelystad. Architect: Victor Mani. Bouwkosten eerste fase: bijna twee miljoen gulden. Opening: mei 1995.

Even buiten Lelystad, in een fris, groen gebied dat grenst aan het water van het IJsselmeer, hebben de inrichters van de polder de 'Museumweg' aangelegd. De weg met de grootstedelijke naam loopt dood op een parkeerterrein dat ruimtelijk rekening houdt met een onwaarschijnlijk groot aantal auto's en toeristenbussen. Nu is het met jonge aanplant omzoomde terrein vooral leeg en de bestrating met het keurig afgebakende vakkenpatroon zal voorlopig nieuw en vers blijven ogen. Het loopt nog geen storm voor de Werf Batavia, het Poldermuseum en, sinds kort, het Nederlands Sportmuseum: de educatief-museale instellingen die de naam Museumweg in deze winderige uithoek moeten waarborgen.

De werf Batavia brengt de bouw van het gelijknamige zeventiende eeuwse koopvaardijschip in beeld, een leerzame opstelling met als hoogtepunt de reconstructie van de historische VOC-driemaster, die hier aan een nagebootst stukje kade ligt afgemeerd. Het in 1994 geopende Poldermuseum - een spectaculaire onderzeeboot op stelten, ontworpen door de architecten Benthem en Crouwel - brengt de geschiedenis en de techniek van de droogmakerij van de IJsselmeerpolders in beeld. En het in mei van dit jaar door prins Willem-Alexander geopende Sportmuseum beoogt wat men van een sportmuseum mag verwachten: 'een overzicht van de sportcultuur in Nederland en de daarmee samenhangende verschijnselen'. Bovendien ambieert het museum 'dezelfde dynamiek' uit te stralen als ook aan de sport is voorbehouden.

Wie, komend uit Lelystad, het gloednieuwe Sportmuseum nadert en de voor- en zijgevel met bescheiden toegangspartij bekijkt, moet vaststellen dat de ambitie om een dynamische uitstraling te bereiken, in elk geval in de uiterlijke vormgeving is bereikt. Het ruim vijftig meter lange bouwsel staat op een talud aan een van de korte zijden van een verdiepte, met onkruid begroeide vlakte met de afmetingen van een voetbalveld. Het vele glas van de modieus schuin naar voren hellende gevel, de transparante panelen van golfplaat die de zonnewarmte moeten tegenhouden en die zonder veel omhaal tegen het gevelskelet zijn geschroefd, de verticale dragers en horizontale liggers van eerlijk vurenhout en de ongeverfde triplex deuren met dubbele patrijspoorten, geven de langwerpige loods een aandoenlijk, zelfgezaagd uiterlijk. Het blonde bouwsel zou voor hetzelfde geld een clubhuis kunnen zijn van een sportvereniging die ook over een paar ruimtes voor binnensporten wenst te beschikken. Ogenschijnlijk ontbreekt elke architectonische pretentie, maar nader bezien blijkt dat de ontwerper over elk onderdeel zorgvuldig moet hebben nagedacht. Dit zou het werk kunnen zijn van een geniale amateur.

De eveneens ruim vijftig meter lange achterwand is potdicht en zwart geschilderd en in de twee helgele, op elkaar gestapelde containers die zich aan de achterkant tegen het hoofdvolume vleien, is het sanitair opgeborgen. De in verschillende tonen geel geschilderde toiletten herbergen een verrassing: strakke, helder gekleurde wastafels van Joep van Lieshout.

Afgaande op het uiterlijk zou het Sportmuseum een tijdelijke aangelegenheid kunnen zijn en binnen wordt deze indruk niet weggenomen. Op de begane grond biedt een landschap vol hoogteverschillen een podium voor treden, hellingbanen en heuvelachtige expositie-platforms. De avontuurlijke, zelden kaarsrechte 'vloer' is met gewone stoeptegels geplaveid. Daardoor blijven de entree en de daaropvolgende ruimte die is bestemd voor de basisopstelling - waaronder een McLaren formule-I-sportwagen van de Fin Hakkinen - wat sfeer betreft zweven tussen binnen en buiten, zoals ook wel in sommige parkeergarages kan worden ervaren. In het geval van een normaal museumgebouw, of van een kunsthal, zou deze vaststelling een negatieve betekenis hebben. Maar bij het Sportmuseum is de golvende grote-lijnen-architectuur, uitgevoerd met grove middelen als ruw beton, standaard betontegels (50 X 50 centimeter), vurenhout, polyester golfplaat en neonbuizen, volstrekt aanvaardbaar. Sport en liefdevol afgekloven bouwkunst blijken elkaar heel goed te verdragen. Het lijkt alsof de attributen van de vaste opstelling, de thema-tentoonstelling over de doorbraak van de sport in Nederland tussen 1920 en 1940 en de expositie over het tafeltennis (tot 29 oktober) worden gepresenteerd in onbestemde, onafgewerkte ruimtes onder de tribune van een denkbeeldig stadion.

Het eerste ontwerp voor het Sportmuseum werd in 1988 gemaakt door Rem Koolhaas. Maar gedurende een lange lijdensweg, gekenmerkt door steeds weer andere polderlocaties en steeds minder geld - het budget schrompelde ineen van tien miljoen tot zes miljoen gulden - gaf Koolhaas deze opdracht door aan een van zijn geestverwante vakgenoten, Victor Mani. Onder druk van de beperkte middelen besloten opdrachtgever en architect Mani daarop voorlopig een derde van het totale bouwvolume uit te voeren in de, wat ruimte en materialen betreft meest economische vorm. Zo ontstond het publieke deel van het Sportmuseum: de entree met balie en garderobe, de expositieruimten verdeeld over twee verdiepingen en een onvervalste kantine met buitenterras. De delen twee en drie, met een sporthal als centrale vide, uitbreiding van expositieruimte, kantoren, een bibliotheek (voor 30.000 boeken) en een depot voor duizenden voorwerpen, 1500 films, 100 meter kranten en knipsels en 200.000 sportfoto's zullen volgen zodra de sponsorgelden dat mogelijk maken. Bij de verwezenlijking van deze delen zal architect Victor Mani de ingeslagen minimalistische weg ongetwijfeld blijven volgen. Zo'n aandoenlijk optimistisch bouwsel, materieel armoedig, maar conceptueel onwaarschijnlijk inventief is verreweg de meest passende omgeving om al die opwindende en nostalgische hoofdstukken uit de sportgeschiedenis te laten zien.