HANS KRAAY OVER Hand in hand

Voor de Feyenoord-jeugd in de jaren vijftig was er buiten het veld nog wel iets meer dan wedstrijden winnen en trainen. De club werd beheerst door pedagogische idealen die het midden hielden tussen de vormingsleer van Baden Powell en de beginselen van de krijgstucht: serieus je huiswerk maken, gezond eten en het clublied meezingen. Het bestuur van de jeugdafdeling zag alzijdig toe op de verstandelijke vorming, de lichamelijke ontwikkeling en de eetlust van de pupillen die haar waren toevertrouwd.

Een keer per week moesten de bleekneuzen onder de jonge 'beloftes' zich melden op het particuliere adres van de jeugdsecretaris, om elftalgewijs aansterkende biefstuk te eten en de stembanden te oefenen. De secretaris, een machtig man die een paar honderd jongens onder zijn hoede had, zat aan het hoofd van de tafel en zette met een vaste stem en een joviale galm het clublied in. Veel te oefenen was er niet, want had je het eenmaal met een man of tien gezongen, dan bleef het je voor de rest van je leven bij.

Hand in hand kameraden, hand in hand voor Feyenoord een, geen woorden maar daden, leve Feyenoord een.

Zonder begeleiding op de accordeon lukte het niet iedereen om stem te houden, maar dat kwam 's zondags wel goed als het door tienduizenden tegelijk in de Kuip werd aangeheven. Dan voelde je wat elke jongen voelde die anderhalf uur lang zich schurkte in de warmte van de rood-witte menigte: langzaam gingen je nekharen rechtop staan.

“De koude rillingen liepen je over de rug als je het veld opkwam en het Hand in hand kameraden werd gezongen”, herinnert Hans Kraay zich. De achterspeler van Feyenoord in het kampioenselftal uit de jaren zestig (met grootheden als Pieters Graafland, Kerkum, Veldhoen, Israel, Kreyermaat, Jansen, Bennaars, Bouwmeester, Kindvall en Moulijn) vond het “elke keer weer een machtige gewaarwording dat lied te horen, dat sinds de dagen van Olim “tot de wapenrusting van Feyenoord behoort”.

Nog altijd, meent Hans Kraay (een dag vóór de wedstrijd Feyenoord-Ajax, die voor de Rotterdamse stadionclub weer niet goed zou aflopen), is Hand in hand, kameraden een extra wapen dat Feyenoord op de momenten die ertoe doen in de strijd brengt. Het legde volgens Kraay vooral gewicht in de schaal in bijzondere wedstrijden, zoals die voor het kampioenschap (zaliger nagedachtenis) en de Europese competities.

“Dan klonk het massaler en indrukwekkender. “Het maakte voor een voetballer werkelijk verschil of je door zo'n zingende menigte werd verwelkomd of niet. Als speler had je het gevoel dat je een centimeter of tien langer werd”. De tegenpartij (behalve Ajax) onderging het Feyenoord-lied als een onheilspellende tijding en was meestal het eerste kwartier van slag.

Van geregisseerde community-singing, zoals in Britse voetbalstadions nog wel voorkomt, is in de Rotterdamse Kuip nooit sprake geweest. Het kwam zoals het kwam. “Je wist tijdens de wedstrijd nooit van tevoren wanneer het begon, maar de supporters voelden doorgaans goed aan wanneer het nodig was. Dat zijn van die ongrijpbare krachten in het voetbal dat de supporters het lied altijd begonnen te zingen als de spelers over een dood punt moesten worden getild.”

Volgens Hans Kraay is het clublied van Feyenoord een onverslijtbare evergreen die alle popsongs en de moderne stadionvarianten daarvan zal overleven en ook door volgende generaties gezongen zal blijven worden, zolang er voetbal is. “Dat komt doordat het altijd weer klinkt als een heel groot concert.” Hij gelooft niet dat het aan inflatie onderhevig is of dat de supporters er ooit op uitgekeken zullen raken. “Dat komt ook doordat het een lied is dat door alle liefhebbers wordt meegezongen.”

Aan Jaap Valkhoff, de vorig jaar overleden componist van Hand in hand, Kameraden, die op 29 oktober a.s. in het Luxor Theater door zijn vele vrienden wordt geëerd, is Rotterdam een standbeeld verplicht.