De fascinerendste koppen van het land

De dinosaurussen zijn niet uitgestorven. Hun nazaten jagen op kruimels appelgebak op terrassen, bedelen bij hengelaars om vis en stampen rond op uw dak: vogels. De stad is vaak de beste plek om ze van dichtbij te zien. Vandaag kijken we naar kokmeeuw, zilvermeeuw, kleine mantelmeeuw en stormmeeuw.

Soms schopt een naamloze vogel het tot beroemdheid - of wordt tot beroemdheid geschopt. De meeuw die door voormalig Feyenoord doelman Eddy Treytel uit de lucht werd geknald is vermaard. Tegenwoordig doen in de pers apocriefe verhalen de ronde, als zou Treytel zorgvuldig op het dier hebben aangelegd. Als kind zat ik bij het doel: de keeper hield het kalende hoofd tijdens de fatale uittrap peinzend op de grasmat gericht. Het ter aarde gestorte dier werd als totem meegevoerd door supporters, in een uitzinnig stamritueel. De vogel kwam gelukkig niet meer bij en valt nu opgezet te bewonderen in de natuurhistorische afdeling van de Kuip.

Het gaat hier om een kokmeeuw. Niet verwonderlijk, want dit is een zeer alledaagse meeuw, die bovendien aan sportvelden gehecht is. Herkenning is in de zomer wel heel makkelijk: chocoladebruine kop met sensuele witte oogschaduw, dieprode snavel en poten. Daarna smelt de bruine kap weg: de kop wordt wit, met zwarte vlekjes als losse oordopjes. Tegen het voorjaar worden die door een donker streepje over de kop alsnog verbonden. De opvallende witte voorranden en zwarte uiteinden aan de vleugels hebben kokmeeuwen in alle seizoenen.

De kokmeeuw is een uitgebalanceerde, elegante verschijning. Maar wel een die hard en schor kan krijsen, vooral bij het in clubverband voedselzoeken. Deze alleseter beleeft een goede eeuw. Over boord gekieperd visafval op zee, grootschalig ploegende boeren op het land en de aanleg van vuilnisbelten en sportvelden: hij ziet het met welgevallen aan.

Van robuuster formaat is de zilvermeeuw. Dat is de standaard 'zeemeeuw', maar hij voelt zich ook op vuilnisbelten en in de stad op zijn gemak. Hij heeft zilvergrijze bovenvleugels en rug, vleeskleurige poten en een gele houwsnavel met een wat bloedige, rode vlek. De witgetipte zwarte uiteinden van de vleugels vallen op; alleen in het najaar ontbreken die witte vlekjes soms. De vlucht is langzaam en krachtig, en zoals het meeuwen betaamt, vaak zwevend. Roepend put de zilvermeeuw uit een flink arsenaal aan miauwende, klagende en sardonische geluiden. Mooi is het afgemeten 'uk-uk-uk-uk' van een vogel die een te dicht naderend mens toespreekt. Hij staat dan op het punt te vluchten, maar klinkt zeer bevoogdend.

Kleine mantelmeeuwen zijn iets ranker dan zilvermeeuwen, met smallere vleugels. Waar de zilvermeeuw lichtgrijs is, is de kleine mantelmeeuw heel esthetisch donker leigrijs. Bovendien combineert hij die mantel niet alleen met een gele snavel maar ook met gele poten; bij sommige vogels zijn de laatste in het najaar bleek weggetrokken. Ook in het binnenland zie je ze vaak samen met zilvermeeuwen.

Deze twee meeuwen hebben de fascinerendste vogelkoppen van Nederland. De fronsende welving boven de felle ogen geeft ze een daadkrachtige blik, de houwsnavel en neergetrokken mondhoeken voegen een laatdunkende tint toe. Die uitdrukking wordt onterecht vaak met 'wreed' samengevat. Simon Carmiggelt gaf een betere omschrijving: 'de chagrijnig toegeknepen mond van iemand die weet dat hij door louter vleiers is omringd.' Iets meer woorden, maar dan heb je ook wat.

Naïever oogt de stormmeeuw - vooral in najaar en winter haast overal te vinden, van weilanden en akkers tot in de stad. Dit is de Walt Disney versie van de zilvermeeuw, met kleine snavel, ronde kop en donkere ogen. De geelgroene snavel en poten zien er wat bealgd uit. Zijn geluid is hoger en scheller. In strijd met zijn zachtmoedige voorkomen is de stormmeeuw een doortastende voedselrover die ijverig achter andere meeuwen aanjaagt. Nog doortrapter zijn kokmeeuwen: die achtervolgen zelfs een spreeuw die net gelukzalig een stukje brood vervoerde.

Hoe zien meeuwen mensen? Beter dan we denken. De havenmeester van Vlieland ontfermde zich jaren geleden over een zielig meeuwekuiken. De biologen vonden dat overigens maar niks - omdat zulks niet 'natuurlijk' was. Vrij naar Bloem: “Ach, wat is natuurlijk in dit land/ een zieke vogel met een olierand/ een kolgans met wat kogeltjes ertegen.” Bertus werd een rijzige zilvermeeuw, en bovendien: meeuw onder de meeuwen, met broeden en al. Maar hij zoekt de havenmeester nog vaak op, herkent hem uit honderden en volgt hem zwevend bij de brommertochten over het eiland. Ook herkent hij een select aantal andere mensen, onafhankelijk van kledij. Maar de nieuwe brommer vond hij aanvankelijk maar niks. Hetzelfde type, hetzelfde geluid, maar de kléur was fout. Monkelend volgde hij de havenmeester een tijdje op grotere afstand, en was opgelucht wanneer die van zijn vervoermiddel stapte.

Speciale stadsrisico's: intolerante buren. Meeuwen broeden tegenwoordig ook op daken. Zo hebben zilvermeeuwen in Leiden met hun heerlijke kabaal de gemoederen hoog doen oplopen. Als maatregel werden wel eieren geraapt. Zo'n aanpak heeft als gevolg dat de dieren verder over de stad uitzwermen en méér daken als broedplaats uitproberen. Meeuwekenners zien meer in een Perron-Nulvariant: een gedoogdak. Met beschikking over geschudde eieren, die zich wel bevredigend laten bebroeden maar niet uitkomen.

    • Frans van der Helm