Wierenga oordeelde over val van IRT ondanks twijfels

DEN HAAG, 21 OKT. Twijfels waren er zeker geweest bij de leden van de commissie-Wierenga. Het onderzoek naar de ondergang van het IRT mocht maar zes weken duren. De hoofdverantwoordelijken waren niet of nauwelijks aanspreekbaar. En toch velde de commissie in het voorjaar van 1994 “een verantwoord oordeel”, zei H. Wierenga gisteren voor de parlementaire enquêtecommissie, die zijn werk het afgelopen jaar uitgebreid overdeed. De werkmethode van het IRT was niet onrechtmatig, zo hield hij ruim anderhalf jaar na dato vol.

Wierenga, oud-burgemeester van Enschede, moest gisteren in de Eerste Kamer zijn licht laten schijnen over de wijze waarop zijn commissie tot die conclusie was gekomen. Dat was op voorhand al geen gemakkelijke opgave, omdat voor Van Traa en de objectieve toeschouwer de laatste weken zoveel informatie tegen 'Wierenga' was ingegaan. De Haarlemse politie had de IRT-informant onvoldoende onder controle gehad, hij mocht miljoenen guldens in eigen zak steken, hij regelde drugstransporten in overleg met de politie en duizenden kilo's softdrugs stroomden onder hun ogen in het criminele circuit.

De commissie-Wierenga was op de hoogte van die zaken, maar beschreef ze alleen in het geheime deel van het IRT-rapport. Het geheime rapport kwam terecht bij de toenmalige minister van justitie Hirsch Ballin, zijn collega Van Thijn (binnenlandse zaken) en de vierkoppige Kamercommissie voor de inlichtingendiensten.

Pag.3: Commissie Van Traa laat verbazing blijken

Wierenga had er echter bewust, “om ongelukken te voorkomen”, voor gekozen eerder te weinig openbaar te maken dan te veel, zei hij tegen de enquêtecommissie. Zo wist Wierenga dat de politie actief was betrokken bij het vervoeren van drugs. “We wisten niet wat de gevolgen zouden zijn voor de informant of de betrokkenen van het IRT als dat in de openbaarheid zou komen.”

De parlementaire enquêtecommissie kon zijn verbazing maar moeilijk verbergen. Een aantal conclusies uit het openbare deel kwamen namelijk niet overeen met die in het geheime rapport. In het openbare deel staat dat de informant slechts informatie verstrekte, en dat politie en justitie hem volledig onder controle hadden. In het geheim liet Wierenga echter aan minister Hirsch Ballin weten dat hij daarover zijn twijfels had. Zo was Wierenga gemeld dat de informant contacten onderhield met Zuid-Amerika, waar de drugs vandaan kwamen, en dat hij betrokken was bij de begeleiding van de transporten. Maar de Haarlemse officier van justitie Van der Veen, op wiens verklaring Wierenga grotendeels afging, had verzekerd dat de informant niets te maken had met het vervoer van de verdovende middelen.

Wierenga worstelde zich door het ruim twee uur durende verhoor heen. Hij erkende dat zijn rapport “natuurlijke een aantal tekortkomingen had”, maar de Tweede Kamer had erop aangedrongen dat het onderzoek naar het IRT-debâcle binnen zes weken zou zijn afgerond. Die periode was te krap geweest, gaf Wierenga toe. Hij had niet de gelegenheid gekregen om betrokkenen meer dan eens te horen, of om uitgebreid in de archieven te duiken.

Opvallend is dat hij nauwelijks informatie kreeg uit twee cruciale bronnen bij de Haarlemse politie: het 'koningskoppel' K. Langendoen, bedenker van de Delta-methode, en diens compaan J. van Vondel, informantenbegeleider. Met Van Vondel sprak Wierenga helemaal niet, en Langendoen “vertelde ons weinig”, zei hij. “Met hem was op dat moment niet echt te praten. Hij verkeerde in een gigantische stress-situatie na het opblazen van het IRT.”

De commissie had omwille van de tijd “erg geleund” op de gesprekken die waren gevoerd met de andere verantwoordelijken bij politie en openbaar ministerie. Als die hem vertelden dat de informant onder strikte controle stond, dan moest hij dat aannemen. Hij ging “graag” uit van de kwade bedoelingen van mensen, “maar dat heeft zijn grenzen. Ik was niet van plan om elke keer aan iemand te vragen of hij zat te liegen of niet.”

Uiteindelijk was Wierenga het met 'Haarlem' eens geweest dat het IRT in zijn Delta-onderzoek niet was ontkomen aan “grensverleggende opsporingsmethoden”. Het rechercheteam zat immers achter een criminele organisatie aan die handelde in soft- en harddrugs, wapens en springstoffen, en die verantwoordelijk was voor een groot aantal liquidaties. Politie en justitie hadden “bepaalde nieuwe wegen nodig” om die groep aan te vallen. “Anders vreet het kwaad door”, zei Wierenga.

Maar wellicht, gaf de IRT-onderzoeker na lang aandringen van Van Traa toe, had een hoop “ellende” in de nasleep van de affaire kunnen worden voorkomen als het openbare deel van zijn rapport meer van de geheimen van de IRT-methode had prijsgegeven: de drugswinsten van de informant, de 45.000 kilo die verdween, de hulp van de Haarlemse politie daarbij. De Tweede Kamer zou het dan achttien maanden eerder - en met meer verbazing dan nu - hebben gelezen.