Vibrerend naar de toekomst

JAMES REDFIELD en CAROL ADRIENNE: Het Celestijnse Werkboek

248 blz., De Boekerij 1995, vert. Jaap van Spanje (The Celestine Prophecy, An Experimental Guide 1995), ƒ 29,90

JAMES REDFIELD: De Celestijnse Belofte

240 blz., De Boekerij 1994, vert. Jaap van Spanje (The Celestine Prophecy, 1993), ƒ 27,50

Vreemden zijn niet welkom in Canyon Lake, Californië. Deze welvarende gemeenschap van 13.000 inwoners, ten zuiden van het nog rijkere Palm Springs, is een idyllische gemeenschap in het groen, en geldt als de grootste particuliere stad van de Verenigde Staten. De burgers stellen er volgens een verslag in de New York Times hun eigen wetten en regels (geen jet-ski's op het meer, geen roestige auto's op straat), heffen hun eigen belastingen en bemoeien zich zo min mogelijk met de boze buitenwereld. Canyon Lake maakt eigenlijk geen deel meer uit van dezelfde openbare ruimte als de rest van het land, stelde de krant vast. Een nieuw toekomstbeeld voor Amerika, althans voor het meer welgestelde deel ervan?

De ongekende populariteit van een ogenschijnlijk flodderig Amerikaans New Age-boek doet vermoeden van wel. Volgens James Redfield, in The Celestine Prophecy, zullen steeds meer spiritueel ingewijde personen nog deze eeuw op hun eigen goddelijke energie gaan vibreren en uiteindelijk zo'n hoog 'trillingsgetal' bereiken dat ze onzichtbaar worden voor hun medemensen. Hele groepen mensen zullen zo letterlijk van de aardbodem verdwijnen. En niet meer terugkomen, want: “Het vermogen om de onzichtbaarheidsfrequentie te bereiken betekent overschrijding van de barrière tussen dit leven en de andere wereld”. De rest, die daar nog niet aan toe is, zal in een aards paradijs leven, een smetteloze wereld met heilige plaatsen in de natuur maar ook geautomatiseerde stedelijke centra waar groene technologie voor de eerste levensbehoeften zorgt, en waar de mensen voldoende tijd over houden om zich te wijden aan het verder verhogen van hun trillingsgetal - anders komt het er natuurlijk nooit van.

Bestseller

Redfields 'spirituele avontuur' is in Amerika al een jaar lang een bestseller en verscheen dit jaar in Nederland als De Celestijnse Belofte. De 44-jarige Californische therapeut en free-lance auteur publiceerde het boek aanvankelijk in eigen beheer en verkocht het in New Age-winkels en via mond-tot-mond-reclame. Maar het werd zo'n stormachtig succes dat het op eigen kracht in de bestsellers-lijsten terecht kwam, waaarna Redfield de rechten op herdruk voor 800.000 dollar aan een uitgever kon verkopen. Ruim twee miljoen exemplaren zijn nu in de Verenigde Staten verkocht, tientallen studiegroepjes wijden zich aan tekst-exegese en meditatie over de in het boek ontvouwde inzichten.

Hoe valt dit succes te begrijpen? Natuurlijk borrelt er, zoals commentatoren niet moe worden te onderstrepen, een grote spirituele behoefte in de 'kille' westerse wereld - maar dan nog. We hebben toch de Bijbel? Bovendien, het verhaal van De Celestijnse Belofte is zo dun dat het verbaast dat de pagina's niet al bij eerste lezing uit de kaft fladderen. Het gaat in grote lijnen zo: een anonieme New Age-Amerikaan (man, waarschijnlijk Kaukasisch, overige kenmerken onbekend) raakt bij toeval op het spoor van een in Peru opgedoken Maya-manuscript dat negen cruciale spirituele inzichten zou bevatten over de zin van het leven en de nakende spirituele renaissance van de mensheid. Als klap op de vuurpijl zou dit geheimzinnige manuscript zijn geschreven in het Aramees, de taal van Jezus.

De ik-figuur - laten we hem 'man' blijven noemen - reist naar Peru, waar hij wederom bij toeval over het ene na het andere inzicht struikelt. De plaatselijke autoriteiten proberen publikatie van het zaligmakende geschrift, kennelijk om machtspolitieke redenen, te frustreren, maar uiteindelijk slaagt 'man' erin ingewijd te worden in alle inzichten, ook het negende, dat een rozig ochtendgloren beschrijft voor een totaal gespiritualiseerde mensheid. Tegen het eind van het boek komt 'man' er achter dat er ook een tiende inzicht bestaat, maar wie daar iets over wil opsteken wordt verwezen naar het - uiteraard binnenkort te verschijnen - vervolg op Redfields bestseller.

Inmiddels is al wel Het Celestijnse Werkboek verschenen, een praktische non-fictie handleiding met oefeningen voor individuen en groepjes die De Celestijnse Belofte in de praktijk willen brengen. Voorts zijn voor 29,95 dollar een begeleidende nieuwsbrief en voor 49,95 dollar een aanvullende meditatie-cassette verkrijgbaar.

Zijn boek is volgens auteur Redfield een 'spiritueel avontuur', maar het eerste wat na lezing van een paar pagina's opvalt, is het onthutsende gebrek aan verbeeldingskracht van de schrijver. Hoofdpersoon 'man' - een zelfportret van de auteur? - bestaat uit holle woorden en mist, alle andere karakters zijn volkomen uitwisselbaar in hun platheid. De omgeving is van bordkarton, de natuurbeschrijvingen zijn zo pover dat ze pijn doen aan je ogen. En wat de handeling betreft: die hangt aan elkaar van spiritueel aangestuurde toevalligheden, een kernpunt van Redfields 'filosofie'. Kortom, dit boek is helemaal geen roman, zelfs geen avonturenverhaal, maar eerder een spiritueel doktersromannetje, een dromerig schimmenspel dat nergens een appèl doet op het inlevingsvermogen van de lezer.

Gedroomde duif Zijn het dan de negen inzichten die het boek zo populair maken? Veel hebben die niet om het lijf, het is dezelfde potpourri van mystiek, moralisme en halfbegrepen natuurwetenschap die we kennen van eerdere New Age-boeken. Kern van Redfields 'inzichten' is de onder esoterisch angehauchte Amerikanen immer populaire Jungiaanse synchroniciteits-gedachte: dat het leven 'toevalligheden' biedt die ons, als we er open oog voor hebben, op een hoger spiritueel niveau kunnen brengen. De gedroomde duif die na het ontwaken neerstrijkt in de raamopening, de lang vermiste vriend die we tegenkomen in een menigte voetbalvandalen, en zo meer. Onuitroeibaar blijkt kennelijk het misverstand over de aard van toeval: al zulke gebeurtenissen mogen toevallig zijn, dat maakt ze nog niet onwaarschijnlijk, zoals Redfield lijkt te geloven. Een speciale 'betekenis' hoeft er helemaal niet aan te worden toegekend, behalve natuurlijk als wij dat willen, maar dan komt die betekenis dus ook uit ons eigen brein en niet uit 'de kosmos' vallen.

De andere 'inzichten' bestaan voornamelijk uit bijgelovige praatjes over de geschiedenis van godsdienst, wetenschap en techniek, platitudes over menselijke relaties en, ten slotte, een metafysica die draait om het idee dat 'alles bestaat uit energie'. Dat hier voor de zoveelste keer de relativiteitstheorie en quantummechanica in handen vallen van een naar het hogere hongerende Californiër, hoeft niet te verbazen. We zijn wel wat gewend op dat front, na The Tao of Physics van Fritjof Capra.

Supermensen Interessanter, althans vanuit een kennissociologisch gezichtspunt, is de millenaristische wending die Redfield eraan geeft met zijn 'verdwijnende' groepen 'supermensen'. Wat beschrijft Redfield hier? Opnieuw denk je: Canyon Lake, Californië, met zijn lommerrijke wijken en ommuurde stilte. Daar zijn de bewoners, vrijwel allen afkomstig uit de blanke middenklasse, in feite al 'verdwenen' uit het openbare leven. Voor de rest van de samenleving zijn ze onzichtbaar geworden in hun geprivatiseerde vestingstad. Met andere woorden, is Redfields boek soms een parabel over de zich terugtrekkende (blanke) burgerij, die zich wil bevrijden uit de verpauperende twintigste-eeuwse massa-samenleving? Het zou de populariteit van zijn spirituele pulp - onverklaarbaar in literaire termen - begrijpelijk maken. Het boek zou dan appelleren aan het eschatologische levensgevoel van een bezorgde middenklasse, die zich ondanks allerhande sociale verloedering wil koesteren in het besef dat het leven mooi is, zin heeft, niet toevallig is, en uiteindelijk goed zal aflopen, namelijk met een exodus van soortgenoten.

Daar zijn meer argumenten voor te geven: zo doet De Celestijnse Belofte een beroep op een aantal typische middenklasse-waarden. Een hoger trillingsgetal is namelijk niet zomaar voor iedereen weggelegd, je moet ervoor werken, zij het aan jezelf. Een liberale verdienste-moraal die Redfield koppelt aan het kenmerkende vooruitgangs-geloof: hoe harder je werkt, hoe verder je komt. Veelzeggend is ook dat ieder zondebesef of notie van het Kwaad in het boek ontbreekt. Je wordt nergens op afgerekend; wie zijn best doet met trillen krijgt direct een kosmische free lunch, en de luiere helft van de mensheid verdwijnt gewoon wat later, als ze eraan toe zijn. Een spirituele rekolonisering van de burger, na het wegvallen van de traditionele autoriteiten in de jaren zestig.

Tips Zelfs medestanders van Redfield hebben gewezen op de afwezigheid van morele spanning in zijn boek: er is weliswaar sprake van een anonieme overheid die verspreiding van het heilige manuscript probeert te voorkomen, tegen beter weten in. Maar ook die krijgen hun trillingen nog wel thuis, denk je als vergevingsgezind lezer. “Een religie die zo weinig over het probleem van het kwaad te zeggen heeft, gaat dus niet over de hele werkelijkheid”, meent de Amerikaanse columnist Tom Harpur. Zo is het - maar anderzijds, Redfields lezers zitten vermoedelijk ook helemaal niet te wachten op een oplossing voor het probleem van het kwaad. Zij geloven in het Wittgensteiniaanse adagium dat de oplossing van een probleem bestaat in het verdwijnen van het probleem.

Nog iets anders, dat de populariteit van deze boeken misschien kan verklaren. Het Werkboek bestaat uit meditatieve tips, concentratie-oefeningen en wat meer filosofisch getinte toelichtingen op de negen inzichten. Waarschijnlijk vormt het 'werken' met dit boek en het uitwisselen van ervaringen voor Redfields doelgroep een mooi en verantwoord gezelschapsspel voor het hele gezin ('hoeveel inzichten heb jij al?') - en dus voor het eerst sinds de 'gezellige' jaren vijftig een harmonieus televisie-substituut. Op zichzelf al een spirituele belevenis van de eerste orde. Dat zou de ernst van een en ander overigens ook relativeren: een avondje puzzelen met Redfield hoeft nog niet te betekenen dat je ècht gelooft dat de buren waar je altijd jaloers op was, eigenlijk niet zijn verhuisd maar dankzij hun hogere trillingsgetal - de bofkonten! - al in de stratosfeer zijn verdwenen.

Rest de vraag, waarom Redfields boek zo slecht is geschreven. Ook dat laat zich verklaren. Juist de vlakke en ongeïnspireerde toon, en de vage grens tussen fictie en non-fictie, maken het werk voor 'spiritueel hoopvollen' waarschijnlijk herkenbaar. Dat het zo krukkig is geschreven, zou dan alleen maar aannemelijker maken dat het best eens, op een of ander niet-materieel niveau, wáár kan zijn. De lezer moet het maar aan den lijve ondervinden, in zijn eigen - evenmin mooie - leven. Redfield kon het zich derhalve, wilde hij succes hebben, niet permitteren een goed boek te schrijven, net zomin als zijn voorloper Carlos Castaneda, die in de jaren zeventig furore maakte met (naar later bleek fictieve) verslagen van een spirituele speurtocht in de Mexicaanse woestijn. Diens Lessen van Don Juan was even slecht geschreven als Redfields Celestijnse Belofte. Even ongeloofwaardig - en even succesvol. Toeval?