Vertrouwensman

De geheime dienst van de Nederlandse regering in ballingschap werd geleid door François van 't Sant, een voormalige politiechef, die zijn hoofdambt wonderlijk genoeg combineerde met de functie van particulier secretaris van koningin Wilhelmina. Die dubbelfunctie verschafte Van 't Sant veel macht maar ook veel vijanden. Hij had nieuwe vijanden, die hem vooral zagen als de Spion van Chester Square (waar Wilhelmina lange tijd zetelde), maar ook oude. Die laatsten meenden te weten wat hij vroeger had uitgespookt, maar slechts enkelen wisten het werkelijk. De ambtelijke carrière die Van 't Sant op het moment van zijn Londense benoeming in 1940 achter de rug had, was even spectaculair als omstreden. Van de laagste rangen bij de Dordtse politie was hij opgeklommen tot chef van de Haagse gemeentepolitie, en het lag in de verwachting dat hij het nog eens tot minister van justitie of binnenlandse zaken zou brengen als hij niet op het glanzende hoogtepunt van zijn loopbaan in opspraak was gekomen. Hij sneuvelde in het onderzoek van een Ereraad, dat geen ondubbelzinnige uitkomst opleverde maar zijn reputatie dermate aantastte dat hij bij de Haagse politie niet meer kon worden gehandhaafd.

Van 't Sant moest bloeden voor de rechtsgevolgen van een chantagezaak die hij als troubleshooter van de koningin in de doofpot had gestopt. Hij had vooral de sporen verwijderd die hadden kunnen leiden naar het buitenechtelijk vaderschap van de prins-gemaal. “Voor de niet-ingewijden”, zo schrijft D. Engelen in zijn recente studie De geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (Sdu Uitgeverij), “was er om Van 't Sant echter een geur van corruptie blijven hangen.” Desondanks benoemde Wilhelmina, die een onbeperkt vertrouwen in Van 't Sant stelde, de afgezette politiechef per gelijke datum tot haar particulier secretaris - tegen hetzelfde salaris dat hij als hoofdcommissaris verdiende: twaalfduizend gulden per jaar, waarvan hij de koningin, naar later zou blijken, er tweeduizend op de mouw speldde.

Het Londense koninkrijk van Van 't Sant was geen lang leven beschoren. Bij de reconstructie van het kabinet-Gerbrandy in de zomer van 1941 moest hij het veld ruimen, omdat enkele ministers zijn hoofd eisten. Van Kleffens bestempelde de dubbelfunctie van particulier secretaris van de vorstin en hoofd van de CID op goede gronden als constitutioneel ongepast. De vertrouwensman van Wilhelmina werd vervangen als hoofd van de inlichtingendienst, maar bleef als Harer Majesteits particulier secretaris invloed op het kleine regeringsapparaat in ballingschap uitoefenen.

Van 't Sant is als een mysterieuze figuur de geschiedenis ingegaan. In 1944 mocht hij van Wilhelmina niet mee terug naar Nederland, omdat hij 'niet vernieuwd' was. Hij bleef verongelijkt in Engeland wonen, maar bracht zijn laatste jaren inwonend bij zijn dochter in Hillegersberg door. Hij was geen schim meer van wat hij eens was geweest, maar hij bleef tot zijn laatste dag onverminderd op zijn hoede. Ook in zijn minzame ouderdom was hij tegenover niemand bereid over zijn verleden te praten. Er waren ook historici die wilden weten hoe hij erin geslaagd was vrijwel alle sporen van zijn ambtelijk verleden uit te wissen (tot en met de verwijdering van zijn stamkaart in het Haagse politie-archief), maar niemand slaagde erin hem uit zijn tent te lokken.

Ik had gehoopt dat Dirk Engelen in het archief van de BVD wel enige sporen uit het leven van de geheim agent Van 't Sant zou hebben teruggevonden, maar alles wat hij over Van 't Sant schrijft is niet meer dan een parafrase van de bekende geschiedenis. Engelen heeft zich hoofdzakelijk op de gangbare bronnen gebaseerd. Hij geeft zelfs niets van de periode-Van 't Sant bij de Rotterdamse rivierpolitie in de jaren 1914-1918, waar toch de bron gezocht moet worden van de Britse beschuldigingen van corruptie, die in Londen telkens terugkeerden en tenslotte mede de oorzaak werden van zijn ondergang.

Uit minder gangbare professionele bronnen (o.m. van Payne Best, de zakenman-geheim agent die voor de Britse inlichtingendienst in Den Haag werkte) is bekend, dat Van 't Sant in de hoogtijdagen van de Nederlandse neutraliteit goed betaald werd voor aan Londen bewezen diensten, maar vervolgens ook zichzelf nog eens goed betaalde. De Engelsen verdachten hem ervan dat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog Nederlandse ondernemingen die met Duitsland handel dreven op de 'zwarte lijst' had geplaatst om ze na beloftes van beterschap daarvan weer te hebben verwijderd - uiteraard tegen forse betaling. Van die 'boetes' had hij aan de Engelsen nooit een cent afgedragen. Die opbrengst legde de basis voor de grote staat die hij van zijn politiesalaris niet kon voeren.

    • Harry van Wijnen