Referendum

HET HEEFT ENIGE tijd geduurd, maar gisteren heeft het kabinet dan eindelijk overeenstemming bereikt over een aantal staatkundige vernieuwingsvoorstellen. Worden de plannen werkelijkheid dan komt er zowel op landelijk als lokaal niveau de mogelijkheid van een volksraadpleging en zal het sinds 1917 bestaande kiesstelsel worden veranderd. Los van de vraag of en hoe deze voorstellen uiteindelijk het staatsblad zullen halen, kan nu reeds worden gesproken van een mijlpaal. Vele adviescommissies hebben zich de afgelopen decennia met de materie beziggehouden, maar nooit bereikten ze het stadium van een voorontwerp voor een wet, zoals nu bij het referendum het geval is.

Toch moet de moeizame discussie binnen het kabinet over juist dat referendum te denken geven. Formeel ging het dispuut over de vraag of planologische kernbeslissingen al dan niet onderwerp van een correctief referendum zouden mogen worden. Maar dit leek echter meer een kapstok om bezwaren tegen het referendum in zijn algemeenheid te kunnen ventileren. De kritische woorden die minister Melkert (sociale zaken) deze week sprak waren tekenend. Niet de 'one issue-democratie' is de afgelopen jaren tekortgekomen, maar de integrale belangenafweging.

DAARMEE RAAKTE Melkert exact de kern van het probleem. Het publieke ongenoegen heeft zich de afgelopen jaren hoofdzakelijk per onderwerp gemanifesteerd. 'Single issue-bewegingen' hebben voor een belangrijk deel de invloedrijke rol overgenomen van de maatschappelijke organisaties van weleer. Greenpeace, de ANWB, de Consumentenbond; het zijn de nieuwe maatschappelijke actoren die elk op hun manier het deelbelang vertegenwoordigen. Daartegenover staan de gekozen volksvertegenwoordigers. Aan hen de taak de brede, integrale afweging tussen de diverse belangen te maken.

Die afweging kan worden beschouwd als het wezenskenmerk van de vertegenwoordigende democratie. Een referendum - in wat voor gematigde vorm dan ook - doet aan deze principiële keuze afbreuk.