Privatisering moet concurrentie geven

Op 4 oktober debatteerde de Tweede Kamer een dag lang over concurrentie in het stads- en streekvervoer. Bij de Nederlandse Spoorwegen is onrust ontstaan over de werkgelegenheidseffecten van de op handen zijnde verzelfstandiging. Van het voormalige staatsbedrijf Koninklijke PTT Nederland (KPN) wordt de tweede tranche aandelen naar de Amsterdamse effectenbeurs gebracht. In de sociale zekerheid wordt gesproken over meer marktwerking in de WAO en privatisering van de Ziektewet. Privatisering is een hot issue. Maar het vreemde is dat iedereen er wat anders onder lijkt te verstaan.

In de politiek-economische discussie over de kerntaken van de overheid moeten drie begrippen goed uit elkaar worden gehouden: verzelfstandiging, privatisering en concurrentie. Als de overheid al haar aandelen in de NV Nederlandse Spoorwegen verkoopt, maar de NS blijft de enige verstrekker van treindiensten, dan is er weliswaar sprake van de meest vergaande vorm van privatisering, maar niet van concurrentie.

De verschillen tussen verzelfstandiging, privatisering en concurrentie worden opgesomd in het twee jaar oude rapport van de commissie staatkundige, bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwing (de commissie Wiegel). Verzelfstandiging, zo schrijft de commissie, is een verzamelbegrip voor het op afstand zetten van overheidstaken. Verschillende vormen van verzelfstandiging zijn mogelijk: van interne verzelfstandiging door contractmanagement en zelfbeheer, via het zelfstandige bestuursorgaan (ZBO) tot privatisering.

Interne verzelfstandiging staat het laagst op de ladder naar vrije marktwerking. Voorbeeld is bijvoorbeeld Senter, een organisatie die een aantal subsidieregelingen uitvoert voor het ministerie van Economische zaken. Senter valt onder verantwoordelijkheid van het ministerie en heeft geen eigen bestuur. Een sport hoger vinden we de zelfstandige bestuursorganen, zoals het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA), dat de opvang en begeleiding van asielzoekers regelt. De zeggenschap van de minister, en dus zijn vrijheid om in te grijpen, is hier beperkt tot de bevoegdheden die hem bij de instelling van het zelfstandig bestuursorgaan zijn toegekend. Weer een trede hoger vinden we de privatisering van een overheidstaak, waarbij van een voormalig staatsbedrijf een naamloze vennootschap wordt gemaakt, met de overheid als (enig) aandeelhouder. De ultieme vorm van privatisering is die waarbij de overheid geen aandelen meer heeft in de NV. Waar het echter in essentie bij alle politiek-economische discussies over privatisering om gaat, is de vraag of het geprivatiseerde bedrijf moet (en kan) concurreren tegen andere marktpartijen.

Een aardig voorbeeld van geslaagde privatisering mét concurrentie is die van de vuilophaaldiensten. In Eindhoven wordt het vuil opgehaald door een public/private partnership van gemeente en het bedrijf van Gansewinkel. De gemeente heeft personeel en vuilniswagens ingebracht. Van Gansewinkel is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering. “Door het ophalen en verwerken van vuil uit te besteden aan een particulier bedrijf krijgen burgers in elk geval een helder inzicht in wat ze daarvoor moeten betalen”, zegt Jan Brouwers (47) die in de directie van de van Gansewinkel Groep (1100 werknemers, jaaromzet 310 miljoen gulden in 1994) verantwoordelijk is voor marketing en ontwikkeling. Bij gemeentelijke diensten wordt het inzicht in de kosten steevast vertroebeld door allerlei ondoorzichtige kruisverbanden. Brouwers: “De chef van de afdeling stratenmakers is bijvoorbeeld ook chef van het onderhoud, het schoonmaken van sloten en de gemeentelijke plantsoenendienst. Dat maakt toerekening van kosten moeilijk.” Particuliere bedrijven hebben een hogere produktiviteit, meent hij. Ze verzetten meer werk met minder mensen. Brouwers schat dat ze daardoor 20 procent goedkoper werken dan vergelijkbare gemeentediensten.

Voordeel van een particulier bedrijf is ook dat personeel en voertuigen efficiënter kunnen worden ingezet voor bijvoorbeeld zowel het ophalen van huis- als bedrijfsafval. Van Gansewinkel haalt het huisvuil op in een honderdtal gemeenten, vooral in het zuiden van het land. Van de totale omzet maakt dat huisvuil slechts 13 procent uit. Het grote geld verdient van Gansewinkel met grote bedrijfscontracten, zoals met Albert Heijn, de Vendex Food Group en Center Parcs. “Afval is big business geworden”, zegt Brouwers. Door verschillende soorten vuil (glas, papier) af te zonderen en in grote hoeveelheden aan te bieden bij fabrieken kan geld worden verdiend. De scherp gestegen stortkosten geven particuliere bedrijven, anders dan gemeentelijke vuilophaaldiensten, een prikkel voor kostenverlaging. “De verbrandingsinstallaties voor afval zijn van de overheid. Daarom hebben gemeenten vooral een prikkel om zoveel mogelijk afval naar die ovens te brengen, zodat ze vol zitten”, aldus Brouwers.

De overheid moet zich volgens Brouwers voornamelijk bezighouden met beleid, het formuleren van wetten en regels en de handhaving daarvan. Het is volgens hem niet nodig dat de overheid ook zelf ovens, vuilniswagens, bussen, treinrails, verzekeringen tegen het risico van ziekte en arbeidsongeschiktheid en glasvezelkabels bezit. Concurrentie is wel een vereiste: om de kosten te drukken en efficiency te bevorderen. Daar schort het bijvoorbeeld bij KPN, de NS, het loodswezen, de luchtverkeersbeveiliging en het stads- en streekvervoer nog aan.