Parkeren (1)

Milo Anstadt kwalificeert de methoden van het Amsterdamse parkeerbeleid als thuishorend in een politiestaat (NRC Handelsblad, 25 september). Verantwoordelijk wethouder Bakker verdedigt zich (NRC Handelsblad, 12 oktober) met algemeenheden. Ter verheldering voeg ik daar een praktijkgeval aan toe.

Een mij bekende, armlastige dus weinig autorijdende, Amsterdamse student parkeert zijn geleende auto op een brede Amsterdamse straat. Na kijken en nog eens kijken of je daar mag parkeren, en na nog eens teruglopen om er zeker van te zijn dat je daar mag staan. Mis dus. De weinig autorijdende student interpreteert een reserveringsbord voor een invalideparkeerplaats verkeerd. Mede omdat hij een andere auto, met vrijwel hetzelfde kenteken als op het reserveringsbord, per abuis aanziet voor de auto van de betreffende invalide. Mede ook omdat een eventuele markering op de weg door bladeren aan het oog onttrokken wordt. De student komt de volgende dag terug en kan zijn weggesleepte auto gaan ophalen. Hoe hoog is de boete die de student voor zijn vergissing moet betalen?

De boete ligt ruim boven de vierhonderd gulden. Dat wil zeggen een bedrag, voor deze student, gelijk aan drie weken levensonderhoud of bijna vijf procent van zijn jaarinkomen. Dat is dus wat Milo Anstadt typeert als “bureaucraten tarten publieke zelfbeheersing”. Dat is wat wethouder Bakker verdedigt.

    • J. Visser Haarlem