Nietzsches stuurloze denken

W. MENSINK, R. NIEBORG, T. STALS (samenst.): Perspectieven op Nietzsche

100 blz., Dionysos 1995, (Bisschop Zwijsenstr. 102, 5021 KC Tilburg), ƒ 24,90

LONGINUS J. DOHMEN: Nietzsche over de menselijke natuur

592 blz., Kok Agora 1994, ƒ 79,90

SYLVAIN DE BLEECKERE & ERIK OVER (red.): Landschappen van Nietzsche

172 blz., Pelckmans/Kok Agora 1994, ƒ 35,-

Nietzsche gelooft niet in de 'menselijke natuur', schrijft Patricia de Martelaere in haar bijdrage 'De al te menselijke wetenschap' aan de bundel Landschappen van Nietzsche. Het is een van de bundels die verschenen in het kielzog van de 150-ste geboortedag, vorig jaar oktober, van wat nog altijd een van de meest omstreden filosofen is. Omstreden niet alleen vanwege zijn erfenis, waartoe door velen het nazisme wordt gerekend, maar ook vanwege de verwarring over de vraag wat Nietzsche eigenlijk wilde met zijn filosofie. Tegenover vrijwel elke interpretatie van zijn werk staat een andere, die precies het tegenovergestelde behelst.

Als om die verwarring te illustreren verscheen vrijwel op hetzelfde moment als deze bundel de omvangrijke studie Nietzsche over de menselijke natuur van Longinus Dohmen, die alleen al met de titel de opmerking van De Martelaere lijkt te weerspreken. Dohmen wil, blijkens de ondertitel van zijn boek, Nietzsches 'verborgen antropologie' achterhalen. Te vaak, zegt hij in zijn inleiding, wordt Nietzsche in het voetspoor van Heideggers interpretatie gereduceerd tot een denker die de metafysica tot haar einde voerde en - zo zeggen vooral de postmoderne Franse denkers - ophief. De werkelijkheid zou slechts een zaak van interpretatie zijn; over hoe zij er in zichzelf uitziet en dus ook wat voor wezen de mens is, zou men niet meer kunnen spreken.

Dat gaat Dohmen veel te ver en in een gedetailleerde studie laat hij zien hoe moeizaam en langdurig Nietzsche worstelde met de vraag wat 'een mens' eigenlijk is en in welke werkelijkheid hij leeft. Die vraag is inderdaad onontkoombaar. Ook wie beweert dat al onze kennis en uitspraken slechts interpretaties zijn, moet uitgaan van een wereld waarin het mogelijk is dat alles interpretatie is. Hij veronderstelt, met andere woorden, stilzwijgend een bepaalde metafysica en antropologie.

Dohmen volgt Nietzsches ontwikkeling nauwkeurig, van zijn vroegere driftentheorie tot zijn latere leer waarin de mens (net als de werkelijkheid als geheel) verschijnt als een samenstel van 'machtswillen' die voortdurend in beweging en onderlinge strijd gewikkeld zijn. Moraal komt daarin niet te pas en de idee 'waarheid' nog minder. Waarheid is er niet, maar wordt gemaakt door de sterkste wil die bepaalt wat waar is omdat die waarheid hem het beste dient - aldus Nietzsche.

Dohmen reconstrueert deze theorieën vooral op grond van Nietzsches nagelaten teksten. Er is volgens hem sprake van een openbare en een verborgen Nietzsche. De een schreef voor een publiek, de ander hield zijn leer nauwkeurig verborgen, omdat - meende hij - de lezers er nog niet rijp voor waren. Dat is een hachelijk onderscheid, omdat de Nachlass in deze benadering van lieverlee de status krijgt van een afzonderlijk, maar min of meer afgerond werk. Terecht vaart Dohmen uit tegen de pogingen (vooral van Nietzsches zuster) om uit de Nachlass het hoofdwerk te destilleren dat Nietzsche voor ogen zou hebben gestaan. Zelf zwicht hij echter voor een soortgelijke misvatting, wanneer hij de Nachlass als een bijeen horend tekstcorpus opvat, dat een bewust geheim gehouden leer zou bevatten.

Denkweg

Hij miskent daarmee Nietzsches werkwijze. Voortdurend noteerde deze invallen en korte teksten, waaruit hij vervolgens zijn zijn bundels samenstelde. Die selectie beperkte zich niet tot de meest recente aantekeningen, maar putte vrijelijk uit alles wat, soms jaren eerder, was genoteerd. Wat wij nu als de Nachlass kennen, is het restant van alles wat Nietzsche had genoteerd maar (nog) niet had gebruikt. Of hij dat ooit gedaan zou hebben, en in welke selectie, is onderwerp van even eindeloze als vruchteloze discussies in de Nietzsche-exegese.

Niettemin is de reconstructie van Nietzsches denkweg die Dohmen presenteert overtuigend. Met hoeveel ernst Nietzsche zijn speculaties opvatte blijkt uit zijn diepgaande oriëntatie op de natuurwetenschappen van zijn tijd, die door Dohmen op heldere en informatieve wijze wordt gepresenteerd. Toch kan ook hij uiteindelijk niet om de moeilijkheid heen dat Nietzsches opvatting over de mens en over de werkelijkheid in het algemeen in haar eigen staart bijt. Want welke status heeft deze theorie die leert dat elke waarheid niets anders is dan een pion op het strijdtoneel der machtswillen? Dat iets 'waarheid' wordt genoemd, is dan vooral een zaak van strategisch effect. Maar hoe zit het met de waarheid van die theorie zelf?

Het oude skeptische dilemma (hoe kan ik beweren te weten dat ik niets zeker weet?) keert hier in een andere gedaante terug. Ook Dohmen kan tenslotte niets anders dan concluderen dat deze leer slechts een hypothese is. Ze is een coherente interpretatie, die Nietzsche schiep terwille van datgene waar het hem uiteindelijk om ging: de wording van een hoger type mens, dat wist te accepteren dat alle 'waarheden' slechts ficties en interpretaties zijn.

Het was Nietzsche, aldus Dohmen, uiteindelijk meer om de praktische dan om de theoretische implicaties van zijn filosofie te doen. De leer staat in dienst van de menselijke opdracht boven zichzelf uit te groeien. Niet de waarheid van de theorie telt, maar het effect. Dat zou ten aanzien van de antropologie betekenen dat deze niet beschrijft hoe de mens is, maar hoe hij moet denken dat hij is, opdat hij ontvankelijk kan worden voor het ideaalbeeld van de Uebermensch.

Als dat waar is, zou heel de antropologie die Dohmen zo nauwkeurig reconstrueert niets anders zijn dan een nuttige fictie en zou Nietzsches inspanning om zijn mens- en wereldbeeld natuurwetenschappelijk te schragen slechts een kwestie zijn van retoriek: een wetenschappelijk argument klinkt nu eenmaal een stuk overtuigender. Daarmee zou Dohmen ironisch genoeg en ondanks de schijn van het tegendeel toch weer dicht in de buurt van De Martelaere eindigen. Want Nietzsche, zo concludeert zij in haar artikel, keerde na zijn natuurwetenschappelijk avontuur terug tot de kunst als laatste legitimatie. En wat is kunst anders dan fictie of - zoals zij schrijft - 'een cultus van de oppervlakte'?

Dat laatste is ongetwijfeld juist. Maar dat ook Nietzsches natuurwetenschappelijke en psychologische beslommeringen daarom slechts een retorische pose zouden zijn is weinig plausibel. Niet alleen omdat hij er daarvoor zelf te zeer in geloofde, maar ook omdat zijn praktische interessen slechts zin hebben wanneer daaraan een bepaalde opvatting van de werkelijkheid beantwoordt. Alleen als de werkelijkheid een zaak van machtswillen is, heeft het zin een leer uit te dragen die oproept tot de aanvaarding van de werkelijkheid als 'wil tot macht'.

In een andere, zeer toegankelijk geschreven bundel Nietzsche-opstellen die vrijwel tegelijkertijd verscheen, Perspectieven op Nietzsche, noemt de Nijmeegse Nietzsche-kenner Paul van Tongeren de wil tot macht dan ook een normatieve these: “Ze zegt wat de werkelijkheid eigenlijk is en (ze wijst op) een wijze van leven die aan de werkelijkheid zoals ze is recht doet.” Ook die these is misschien een interpretatie. Maar het is wel een duiding die heel het werk van Nietzsche draagt, dus ook zijn opvattingen over de primaire rol van interpretaties zelf. Hoe men het ook wendt of keert, ze neemt een bijzondere en hogere plaats in dan alle andere levensduidingen. Hoger, bijvoorbeeld, dan die van de christelijke 'kuddenmoraal', die Nietzsche zo fel hekelde.

Contradictie

Toch doen beide theorieën in coherentie en plausibiliteit niet voor elkaar onder. Ze zijn beide overtuigend, zolang men zich binnen hun 'waarheid' houdt, maar men komt daar alleen door een sprong; een geleidelijke overgang van het ene perspectief naar het andere is niet mogelijk. Hun geloofwaardigheid wordt zelfs niet ondermijnd door de zwakke plekken die beide vertonen: enerzijds de metafysische starheid van het 'kudden-perspectief' dat gelooft in eeuwige waarheden, hoe veranderlijk de wereld ook is; en anderzijds de interne contradictie van Nietzsches denken, dat een nieuwe waarheid verkondigt onder afschaffing van elke waarheid die méér wil zijn dan een plaats- en tijdgebonden interpretatie.

Die contradictie werd door Nietzsche zelf niet opgelost en daarom kon hij de geschiedenis ingaan als de denker die aan elke metafysica en zelfs elke bekommernis om de waarheid een einde had gemaakt. Zijn denken brengt het denken aan het wankelen, omdat het zichzelf met zijn paradoxen uit zijn voegen licht. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit oeuvre de filosofische geschiedenis kon ingaan als de vernietiging van elke metafysica en elk idee van waarheid. Het onvermijdelijke gevolg was dat Nietzsches denken moeiteloos voor elk filosofisch en politiek karretje gespannen kon worden. Het was, als geheel genomen, stuurloos en liet zich daardoor gemakkelijk meevoeren door elke stroming die zich voordeed.

De zelfontwrichting en manipuleerbaarheid van Nietzsches werk toont zich vooral wanneer men het oeuvre in zijn totaliteit beschouwt. De incoherentie die het gevolg is van het Nietzsches onopgeloste skeptische dilemma, wringt vooral op het meest fundamentele en algemene niveau. Zolang de focus beperkter blijft, betoont Nietzsche zich een verrassend samenhangende, soms zelfs bijna conventionele filosoof.

Terecht stelt Dohmen dan ook vast dat de zeggingskracht van zijn 'regionale' filosofieën de afgelopen decennia onder invloed van de metafysische Nietzsche-interpretatie onderbelicht is gebleven. Hij laat in zijn studie op overtuigende wijze zien hoe ernstig Nietzsches antropologie genomen moet worden en welke penetrante filosofische en psychologische inzichten er op dat vlak bij hem te vinden zijn. Daar doet het onafgesloten karakter van zijn denken, waardoor hij tenslotte als het grote metafysische vraagteken in de geschiedenis van de moderne wijsbegeerte staat, niets aan af.

    • Ger Groot