Na tien jaar nieuwe kans voor referendum-idee

DEN HAAG, 21 OKT. Een “zekere tevredenheid”. Zo omschreef D66-fractievoorzitter Wolffensperger gisteren zijn eigen gemoedstoestand, nadat het kabinet de langverwachte staatkundige vernieuwingsvoorstellen had gepresenteerd. Als het aan het kabinet ligt komt er een vorm van referendum en zal het kiesstelsel worden veranderd. Twee onderwerpen waar D66 al sinds de oprichting van de partij in 1966 op tamboereert. De tijdgeest heeft de ideeën van destijds aangetast, maar wat het kabinet nu heeft gepresenteerd is voor de Democraten nog herkenbaar genoeg om mee in te stemmen.

Tien jaar nadat het ook al door een commissie onder leiding van oud-premier Biesheuvel was voorgesteld, komt het kabinet Kok met een voorontwerp voor een grondwetswijziging om in Nederland het zogeheten 'correctief wetgevingsreferendum' in te voeren. Het betekent dat de burger een instrument in handen krijgt om wetgeving die het parlement heeft aanvaard, terug te draaien. Eenzelfde correctie-mechanisme wil het kabinet mogelijk maken voor besluiten van provinciale- en gemeentebesturen.

Voor het openen van de mogelijkheid van een correctief referendum op nationaal niveau is een wijziging van de grondwet nodig. Dit houdt in dat niet alleen de huidige Tweede en Eerste Kamer met het voorstel zullen moeten instemmen, maar ook een nieuw gekozen Staten Generaal. In deze zogeheten tweede lezing is bovendien een meerderheid van twee derden vereist. Vanwege de noodzakelijke wijziging van de grondwet zal het correctief referendum pas op zijn vroegst vanaf 1999 kunnen worden toegepast.

Volgens het voorstel van het kabinet komt de burger er aan te pas nadat een bepaald wetsvoorstel de Tweede en de Eerste Kamer is gepasseerd. Dan volgt een periode van drie weken waarin een groep van 40.000 kiesgerechtigden door middel van een 'inleidend verzoek' kan vragen om een volksstemming over het door het parlement aanvaarde wetsvoorstel. In 1985 stelde de commissie Biesheuvel deze drempel nog op 10.000 kiesgerechtigden. Binnen een week zal het verzoek worden getoetst. Bekeken moet worden of bijvoorbeeld het onderwerp niet onder de uitzonderingsgevallen valt.

Het betreft hier drie zaken: onderwerpen aangaande het Koningshuis, begrotingswetten en de uitvoering van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Over de vraag of planologische kernbeslissingen al dan niet aan een referendum onderworpen mogen worden zal het kabinet zich nog nader buigen.

Voldoet het inleidend verzoek aan alle eisen dan begint de tweede fase van de procedure. Deze houdt in dat binnen zes weken 600.000 handtekeningen moeten worden verkregen via lijsten die in gemeentehuizen liggen. Het langs de deuren gaan met handtekeningenlijsten is zodoende niet mogelijk. In het voorstel van de commissie Biesheuvel was een aantal van 300.000 stemmen nog voldoende om een referendum te kunnen organiseren. “Het moet ook niet te gemakkelijk worden gemaakt”, zei minister-president Kok gisteravond tijdens zijn persconferentie na afloop van de ministerraad.

Is het minimum-aantal van 600.000 stemmen behaald, dan kan een datum voor het referendum worden bepaald. Het wetsvoorstel waarover het referendum is georganiseerd, vervalt wanneer een gewone meerderheid (de helft plus één) van de kiesgerechtigden tegen heeft gestemd. Een voorwaarde is wel dat minstens 30 procent van de kiesgerechtigden is opgekomen. Volgens de huidige cijfers zou dat neerkomen op een opkomst van ruim 3,5 miljoen kiezers om het referendum rechtsgeldig te laten zijn.

Naast het correctief referendum wil het kabinet het kiesstelsel veranderen. De voorkeur gaat hierbij uit naar de invoering van een gemengd kiesstelsel. Dit houdt in dat de helft van de 150 Tweede Kamerleden volgens het huidige - landelijke - systeem zal worden gekozen en de andere helft via vijf districten. Binnen die districten zijn gemiddeld 15 zetels te verdelen volgens het systeem zoals dat ook nu voor de Tweede Kamer geldt: op basis van evenredigheid.

De kiezer kan twee stemmen uitbrengen: één op een kandidaat van een landelijke lijst en één op een kandidaat van de districtslijst. Kandidaten voor de landelijke lijst mogen niet voorkomen op de districtslijsten. Op deze manier hoopt het kabinet dat de band tussen kiezers en regionale kandidaten sterker wordt.

Bovendien wil het kabinet het gewicht van de voorkeurstem vergroten. Nu wordt een kandidaat op een lijst automatisch gekozen als hij of zij de helft van de kiesdeler haalt. Het voorstel is deze drempel te verlagen naar 25 procent. Zou dit percentage bij de laatste Kamerverkiezingen zijn gehanteerd, dan zou een kandidaat aan 30.000 voorkeurstemmen in plaats van 60.000 voldoende hebben gehad om direct te worden verkozen.