'Ik wil het nationaal-socialisme begríjpen'

De 72-jarige Ernst Nolte, de bekendste Duitse schrijver over fascisme en nazisme, was hoogleraar in de geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Berlijn, maar heeft dit vak nooit gestudeerd. Zijn eerste studies over het fascisme, waaronder Der Faschismus in seiner Epoche (1963), werden vrij algemeen gewaardeerd. Waardering ging over in aarzeling, en aarzeling werd verguizing nadat Nolte in 1986 in de Frankfurter Allgemeine Zeitung de consensus onder historici over het nationaal-socialisme doorbroken had. Dit was het openingssalvo van de Historikerstreit. Het nationaal-socialisme, aldus Nolte, kan niet uitsluitend worden verklaard uit het Duitse verleden. Het was in wezen niet een primair 'Duits' maar een epochal fenomeen, zowel een produkt van als een partij in een 'Europese Burgeroorlog'. Evenmin kan het nazisme worden getypeerd als een uniek verschijnsel, in de zin van een 'absoluut kwaad'. Dit is een oordeel gebaseerd op morele gronden, niet op wetenschappelijke criteria.

Het onlangs verschenen Die Deutschen und ihre Vergangenheiten is een onderzoek naar de wijze waarop de Duitsers met de herinnering aan hun 'dubbele' verleden, het nationaal-socialisme en later, in Oost Duitsland, het stalinisme, zijn omgesprongen. André Gerrits noteerde de opvattingen van de emeritus hoogleraar in diens buitenhuis te Mölln in Sleeswijk-Holstein.

Ernst Nolte: Die Deutschen und ihre Vergangenheiten. Erinnerung und Vergessen von der Reichsgründung Bismarcks bis heute; 237 blz., Propyläen 1995, ƒ 45,70. Andere titels: Der europäische Bürgerkrieg 1917-1945. Nationalsozialismus und Bolschewismus (1987) en Streitpunkte. Heutige und künftige Kontroversen um den Nationalsozialismus (1993).

Ergens moet een streep worden getrokken onder ons nationaal-socialistische verleden. Eens moeten we ophouden over dit deel van de Duitse geschiedenis uitsluitend in polemische termen te spreken, als een voortdurende schuldbekentenis. Ik verzet mij niet tegen de herinnering aan de verschrikkingen van het nationaal-socialisme, maar ik heb er wel bezwaar tegen dat uitsluitend die ene kant van deze ervaring voortdurend in het volle licht wordt geplaatst. Ik zet me af tegen de eenzijdige vereeuwiging van het nationaal-socialisme. Mijn vakgenoten, en al degenen die mij bij voortduring bestoken met aanvallen en smaadschriften, zullen ten slotte toch moeten accepteren dat de geschiedwetenschap altijd opvattingen herziet en daarmee tot op zekere hoogte verschijnselen rehabiliteert, dat wil zeggen serieus neemt, die lange tijd taboe waren.

Mijn tegenstanders verwijten me voortdurend dat ik de ervaringen van het Derde Rijk zou willen relativeren, of zelfs vergoeilijken. Dat is onzin. Mijn uitgangspunt, en als het goed is het uitgangspunt van ieder historicus, is het nationaal-socialisme te begrijpen, niet om er begrip voor te kweken. Het onderscheid tussen Verstehen en Verständnis. Overigens, moet ik er aan toevoegen, kan ik voor het idealisme en het enthousiasme van menig nationaal-socialist wel degelijk begrip opbrengen. Dat geldt in ieder geval voor de overtuiging waarmee ze zich, Hitler incluis, verzetten tegen de vrede van Versailles, een opgelegde en onrechtvaardige vrede. Hetzelfde gaat op voor het anti-communisme. Dit is een opmerkelijke paradox: Hitler, die zich zou ontpoppen tot één van de grootste massamoordenaars in de geschiedenis, was oprecht ontsteld over de vernietiging van de intelligentsia in bolsjewistisch Rusland. De bewering dat Hitler van het begin af aan op genocide uit zou zijn geweest, is een simplificatie. Hitlers angsten, zijn ontzetting, waren echt. Het waren de angsten van een hele generatie. Hitler, echter, was een extremist. Hij mythologiseerde zijn voorstellingen.

De geschiedenis van het nationaal-socialisme is in belangrijke mate de geschiedenis van de ontsporing, van de perversiteit van wezenlijk goede, in ieder geval begrijpbare intenties. Het is veeleer de geschiedenis van een tragedie dan van een misdaad. Het nationaal-socialisme alleen kan worden begrepen en 'verwerkt' in relatie tot zijn oudere parallel: het bolsjewisme. Het Derde Rijk was in wezen een poging een 'tegen-utopie' te realiseren. Het bolsjewisme was de voorwaarde, niet de enige maar wel de belangrijkste, van het nationaal-socialisme. Bolsjewisme en nationaal-socialisme zijn in essentie tegengestelde reacties op de uitdagingen van hun tijd. Ze hebben elkaar geïnspireerd, geïmiteerd en bestreden, en uiteindelijk hadden ze dezelfde tragische, rampzalige consequenties.

Ons perspectief op het nationaal-socialisme is vervormd geraakt door de Shoah. Het anti-joodse motief was in Hitlers denken ondergeschikt aan de anti-communistische drijfveer. De nationaal-socialistische beweging was eerst en vooral anti-communistisch. En daarmee had ze een historisch recht aan haar kant. Van het communisme ging immers een voelbare en reële dreiging uit. Al bij Nietzsche lezen we de overtuiging dat de idee van de geschiedenis als een proces van permanente vooruitgang of modernisering, niets anders is dan een aanslag op het 'gezonde leven'. Een aanslag die verijdeld diende te worden. Een dreiging die vernietigd moest worden. Op deze overtuiging, en niet op een vage anti-semitische traditie, is Hitlers denken terug te voeren.

Hitler ontwierp een interpretatie van de geschiedenis die net zo radicaal, net zo alles-omvattend en net zo alles-verklarend was als het marxisme, de exponent bij uitstek van dit vooruitgangsdenken. De belichaming van het kwaad, de Urheber, vond hij in de joden. Hitler gaf een bijzondere, anti-joodse uitlegging aan het communisme. Voor hem waren anti-communisme en anti-semitisme gelijk. De joden waren het slachtoffer van een combinatie van mythologie en collectieve schuld. Zoals de Duitsers ooit gemeenschappelijk als 'Tätervolk' werden gebrandmerkt. Auschwitz is alleen te begrijpen als de extreemste en tezelfdertijd meest mythologiserende tegenzet aan de marxistische filosofie van de geschiedenis.

Auschwitz kan niet als een 'breuk' in de Duitse geschiedenis worden beschouwd, omdat het nationaal-socialisme niet primair voortkomt uit de bijzondere eigenschappen of tradities van het Duitse verleden. Het is een produkt van een bijzondere periode in de Europese geschiedenis. De idee van de deutsche Sonderweg als verklaring van het Derde Rijk is misplaatst. Het is dwaas te veronderstellen dat Auschwitz een produkt is geweest van Duits nationalisme of uitsluitend uit de Duitse nationale traditie of geschiedenis zou kunnen worden verklaard. Het tegendeel is waar. De moord op de joden werd pas mogelijk toen een Duits nationaal-patriottisme werd vervangen door een gepostuleerd rassenbewustzijn. Zelfs de meeste nationaal-socialisten waren geschokt door Auschwitz.

Een Verfassungspatriottismus kan een huidig Duits nationalisme misschien modificeren of onder een zeker voorbehoud plaatsen, maar zeker niet vervangen. En dat is ook niet nodig. Als in Duitsland momenteel van nationalisme sprake is, dan is dit ipso facto een defensief nationalisme. In Duitsland is het internationalisme, het kosmopolitisme desnoods, te veel op de voorgrond getreden. We moeten onze positieve en wellicht onze specifieke Duitse nationale identiteit en tradities herwinnen en vasthouden. Dit heeft niets van doen met agressief nationalisme of met een vermeend militarisme van de Duitse nationale staat. Defensief nationalisme is vanzelfsprekend zelfkritisch. Maar zelfkritiek is geen zelfverloochening, waaraan de linkse literatuur in Duitsland zich overgeeft. Hier staat op muren geklad: Deutschland verrecke! Ooit zoiets in Nederland gezien, over Nederland? Uiteindelijk heeft Duitsland onder zeer moeilijke omstandigheden hetzelfde bereikt als veel andere landen in Europa: de creatie van een nationale staat. Dit is een verworvenheid. Ze mag niet vanwege de ervaring met het nationaal-socialisme worden weggeworpen. Duitsland begint steeds meer op de andere Europese naties te lijken.

Ik stoor me aan degenen die mijn 'politieke' uitspraken koppelen aan een vermeend streven van mijn kant het nationaal-socialisme te willen rehabiliteren. Ik heb eigenlijk helemaal geen uitgesproken politieke opvattingen. Ik beschouw mijzelf als een onafhankelijk denker. Mijn uitspraken zijn geen politiek geïnspireerde oordelen, maar een poging de politiek te motiveren bepaalde bedreigingen in het geestelijke en intellectuele bereik te keren. In Duitsland is de collectieve herinnering in sterke mate bevooroordeeld. Kort gezegd: het anti-fascisme wordt eenzijdig benadrukt.

Er wordt verschillend omgesprongen met de herinnering aan de beide totalitaire dictaturen op Duitse bodem. Zowel de ideologie als de praktijk van het nationaal-socialisme wordt vrijwel algemeen verworpen. De nagedachtenis aan de 'tweede Duitse dictatuur', de DDR, is ondanks alles veel minder negatief. Niet in de zin dat veel Duitsers de muur weer willen optrekken of de DDR in ere willen herstellen, maar er wordt wel zeker met sympathie en begrip teruggekeken op de eerste jaren van haar bestaan. Het enthousiasme, het anti-fascisme, de goede bedoelingen die pas later gedeformeerd zouden zijn geraakt. Als het liberale systeem in het ongerede raakt als gevolg van het overgewicht van één van zijn vleugels, en in Duitsland is dat de linkervleugel, dan zouden afwijkende meningen in het publieke debat niet meer aan bod kunnen komen. Dat vind ik buitengewoon gevaarlijk voor de vrijheid van meningsuiting, voor de vrijheid van de wetenschap.

Het partijsysteem in Duitsland is onvolledig. Het is mank. Als er een links-radicale partij is, de PDS, dan zou er aan de andere kant van het politieke spectrum ook een rechts-radicale beweging moeten zijn. Faute de mieux moeten de rechtse partijen als een tegenwicht, als een correctie, worden ondersteund. Vandaar mijn pleidooi voor een democratische, pragmatische rechts-radicale partij in Duitsland. Een zeker politiek evenwicht lijkt me van het grootste belang voor de continuïteit en de levendigheid van de liberale democratie. Vandaar mijn politieke uitspraken. Mij is verweten een 'wegbereider van het intellectuele rechts-radicalisme' te zijn. Misschien. Het gebrek van het intellectuele debat in Duitsland is immers juist de afwezigheid van rechts. Intellectueel links heeft een groot overwicht. Het intellectuele debat heeft zijn levendigheid verloren. De politieke correctheid is allesoverheersend.

De wet op de Auschwitz-Lüge is hiervan een goed voorbeeld. Ik vind het principieel onjuist om argumenten met processen te beantwoorden, om bij wet te willen voorschrijven welke opvattingen en ideeën wel en welke niet naar voren mogen worden gebracht. De stelling dat de Shoah nooit heeft plaatsgevonden is onzinnig, net zo onzinnig als de mening dat Napoleon nooit heeft bestaan. Ze is beperkt tot de lunatic fringe. Het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitspraken en herinneringen van getuigen over de wijze waarop de volkenmoord is voltrokken, is echter een andere zaak. Het gebeurt weinig, hoewel het volkomen legitiem zou zijn. Het spreekt toch voor zichzelf dat in de herinnering aan de genocide op de joden geruchten en waarheid door elkaar heenlopen. En het is juist de taak van de historicus ze van elkaar te scheiden.

In de geschiedeniswetenschap dienen, net als in de politiek, keuzen te worden gemaakt. Mijn zorg is dat het spectrum van interpretaties zozeer wordt beperkt, dat er uiteindelijk nog maar één verklaring wordt geaccepteerd: de politiek correcte. Ik heb nooit gezegd dat mijn uitleg van het nationaal-socialisme de enige mogelijke of juiste is, maar ik ben er wel van overtuigd dat die uitleg uiteindelijk in brede kring zal worden aanvaard.

----------------------------

Ernst Noltes recent verschenen Die deutschen und ihre Vergangenheiten is gebaseerd op een voordracht over 'herinnering en vergeten' die Nolte in de herfst van 1992 in Locarno hield. Een 'totale herinnering' is onmogelijk, schrijft Nolte, voor de rationele mens is vergeten net zo belangrijk als herinneren. “Dit betekent niet dat de herinnering moet worden weggedrukt en evenmin dat het vergeten dient te worden bevorderd (...), integendeel, het impliceert het serieus nemen van alle grote herinneringen en het accepteren dat vergeten een heilzame werking kan hebben.” Alleen op deze manier, meent Nolte, kan de discussie over het nationaal-socialisme van politieke of morele bedoelingen worden vrijgemaakt voor de wetenschap. Vorig jaar maart nam hij op uitnodiging deel aan een televisiedebat over de film 'Schindlers List'. Hij verraste zijn gehoor met de vergelijking tussen Auschwitz en andere, misdadige gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog, niet bij wijze van gelijkstelling, zoals hij benadrukte, maar juist om het onderscheid aan te geven. Enige dagen later waarschuwde de Frankfurter Allgemeine Zeitung in een commentaar - onder de kop 'Onvoorstelbaar. Ernst Nolte op de televisie' - 'beschaafd (verfassungstreu) rechts' voor partijgangers als de Berlijnse historicus. Na 25 jaar kwam een einde aan de samenwerking tussen Nolte en deze conservatieve Duitse krant.

Nolte in Die Deutschen und ihre Vergangenheiten: “Niemand kan aanspraak maken op de publikatie van zijn ideeën in enig medium, en een verandering van standpunt bij een enkele krant is nog niet per se een aantasting van de geestelijke vrijheid. Maar wanneer een uitgeverij die als 'rechts' bekend staat de uitgave van een auteur die als 'rechts' bekend staat afwijst omdat ze schadelijke gevolgen van publikatie vreest, dan is de geestelijke vrijheid in dit land wel ernstig in gevaar.” Nolte hekelt het huidige intellectuele klimaat in Duitsland. Het heeft hem verleid tot opmerkelijke politieke uitspraken. In een interview in Der Spiegel (vol met 'inquisitoriale Fangfragen') bepleitte hij de waardering van het 'rechts-radicale' geluid in Duitsland. Het zou de democratie ten goede komen. Zou Nolte nog op enige sympathie hebben kunnen rekenen, dan had hij die nu in ieder geval verspeeld.