'Ik had nooit verwacht dat ik met keepen zo ver zou komen'

In zes jaar tijd werd hij van een amateurkeeper een international die een Europa Cup won. Ook bedreigt hij het onaantastbaar geachte record van Heinz Stuy. Dat komt morgen binnen bereik als de Ajacied EDWIN VAN DER SAR in De Kuip tegen Feyenoord in de tiende competitiewedstrijd opnieuw geen bal doorlaat. Of moet hij de eerste echte treffer - in de Champions League werd hij alleen gepasseerd uit een strafschop - van het seizoen incasseren?

Met miljoenen voetballers op de wereld lijkt de absolute top voor de meeste spelers onbereikbaar. Toch kan het soms raar lopen. Als kleine jongen ging Edwin van der Sar vaak mee met zijn ouders naar de wedstrijden van Volendam. Daar voetbalde zijn oom Kees Guyt, de broer van zijn moeder. Op een dag kreeg Frans Hoek, de keeper van Volendam, het verzoek van Guyt om zijn shirtje af te staan voor een neefje. “Want die keepte ook.” De toen nog kleine Edwin natuurlijk. Dat de twee later samen - de een als keeper, de ander als zijn trainer - de Europese top zouden bereiken, hadden ze niet kunnen bevroeden.

De weg van Van der Sar naar Ajax is al even memorabel. Als pupil bij Foreholte, in het Zuidhollandse Voorhout, was hij aanvankelijk voorstopper of laatste man. Tot de vaste keeper het een keer liet afweten. “Jij bent lang, ga jij maar in het doel”, werd er tegen Edwin van der Sar gezegd. En dat was meteen een succes. Nooit had hij gekeept, zelfs niet in de partijtjes op straat of in de speeltuin bij zijn huis. Vanaf die dag zou hij in wedstrijden alleen nog maar onder de lat staan. Eenmaal in de A-junioren werd hij gevraagd naar zaterdag eerste-klasser Noordwijk te komen. Daar werkte Ruud Bröring, een vriend van Louis van Gaal. Die was destijds nog jeugdtrainer bij Ajax en daagde Bröring op een keer uit. “Zeg Ruud, wanneer lever jij nu eens een talent af aan Ajax?” “Geen probleem”, zei Bröring. “Ik heb nog wel een aardige keeper en een goede rechterspits in de aanbieding.”

Van die spits is nooit meer wat vernomen. Die keeper, Edwin van der Sar, viel nog geen zes jaar geleden wel in de smaak bij Van Gaal en de keeperstrainer Frans Hoek. Ajax had achter Stanley Menzo en Sjaak Storm nog een derde doelman nodig. Hoek: “Van de Poll, afkomstig van Krommenie, werd onze doelman van het tweede, met als reserve Edwin. Maar dat jaar kwam Van de Poll twee weken te laat terug van vakantie uit Zuid-Afrika. Dat pikte de toenmalige hoofdtrainer Leo Beenhakker niet, waardoor hij vervolgens Van der Sar een kans gaf.”

Na één wedstrijd in het eerste van Noordwijk ging Van der Sar bij Ajax aan de slag. Hij had eerder de kans gehad om op basis van onkostenvergoeding naar Sparta te gaan, maar dat was niet aantrekkelijk. Tenslotte zat hij ook nog op de Middelbare Detailhandel School. Bij Ajax kon hij én studeren én voetballen. Hoewel hij zijn school nooit heeft kunnen afmaken. Hoek bracht hem de fijne kneepjes bij van het keepersvak. “Hij bezat natuurlijk een basispakket aan talent”, aldus Hoek. Hij doelt op zijn lichaamsbouw (lengte 1.97 meter) en op zijn lange armen die problemen geven bij de aanschaf van keepershirts maar wel voor een enorme reikwijdte zorgen. “Hoewel zijn lengte niet altijd een voordeel is”, nuanceert Hoek. “Voordat je dat lange lijf in beweging brengt gaan er kostbare seconden verloren.”

Voordat hij definitief de vervanger zou worden van Stanley Menzo mocht Van der Sar al twee keer een korte periode het doel van Ajax 1 verdedigen. “Na de laatste serie had ik er moeite mee om weer op de bank te gaan zitten”, herinnert hij zich nu. “Het ging ook wat minder met trainen. Ik had problemen met de motivatie want ik voorzag dat ik bij Ajax nooit meer een kans zou krijgen. Er is toen ook sprake van geweest dat ik zou worden uitgeleend aan FC Den Bosch.”

Het werd definitief Ajax I, in maart 1993. In Auxerre sloeg Menzo een bal in zijn eigen doel. Van Gaal gaf Van der Sar het vertrouwen voor een langere periode. Dus ook in de return van de UEFA-Cupwedstrijd. “Ik weet nog goed dat ik op vrijdagmiddag in het kantoortje van Van Gaal moest komen. Hij nam een beslissing die op dat moment niet iedere trainer had genomen. Ik vond het rot voor Stanley. Tenslotte trokken we altijd veel met elkaar op. Je traint met elkaar, apart van de groep, en in trainingskampen sliepen we met elkaar op een kamer. Maar je bent toch niet solidair. Zo gauw krijg je die kans niet weer als keeper. Ronald de Boer kan op vijf plekken in het elftal worden ingepast. Er is slechts één doelman nodig. Menzo heeft zich ten opzichte van mij altijd voorbeeldig gedragen. Maar zijn wereld was natuurlijk ingestort.”

“Ik moet zeggen dat ik nooit had verwacht, dat ik met keepen zover zou kunnen komen. En helemaal niet dat ik een Europa Cup zou winnen en het Nederlands elftal zou halen. Ik dacht vroeger: 'Ik begin later wel een sportzaakje'. In 1988 keek ik nog op tv naar het EK. Zes jaar later was ik er zelf bij op het WK. Het is mijn grootste geluk geweest dat Louis mij een kans heeft willen geven.”

Van der Sar zou het vertrouwen van z'n trainer niet beschamen. Een van zijn grote kwaliteiten is dat hij met druk kan omgaan. Onder alle omstandigheden blijft hij een koele kikker. Zelfs in de Europa-Cupwedstrijden. “Alleen bij Milan uit heb ik vorig seizoen wat zenuwen gekend. Maar ook weer niet zo dat ik tegen een speler wilde roepen: 'Schiet nu even niet'. Op de dag van een Europa-Cupduel of een interland heb ik meestal wel wat wedstrijdspanning. Dat vloeit bij de warming-up helemaal weg.”

Met vaste rituelen als Hans van Breukelen, die uit bijgeloof voor elke wedstrijd ging poepen, heeft hij zich nooit beziggehouden. “Ja, naar de wc gaat elke voetballer wel voor een wedstrijd. Als we in het Olympisch Stadion spelen doe ik het meestal in het hotel. Want op die wc daar ga ik van m'n leven niet zitten.” Hij heeft altijd wel een tas met reservehandschoenen in het doel liggen. “Maar daar zit geen konijnepootje in hoor.”

Het meevoetballen heeft Edwin van der Sar tot kunst verheven. Zelden raakt hij een bal verkeerd. “Dat kan iedereen leren”, meent Hoek. “Het is onbegrijpelijk dat zo weinig keepers het echt goed kunnen. Waterreus heeft een goede balbehandeling, maar maakt soms verkeerde keuzes. Hesp kan het met slechts één been.” Vanaf het moment dat een terugspeelbal niet meer mocht woren opgepakt, zijn Hoek en Van der Sar er onmiddellijk met oefenvormen op gaan trainen. De laatste tijd wordt vooral de nadruk gelegd op zijn linkerbeen. Van der Sar: “Het is een kwestie van durven en je medespelers moeten natuurlijk goed anticiperen. In Nederland is het meespelen van de keeper nog aardig verzorgd. In Engeland wordt de bal maar een beetje naar voren geramd. Ik heb begrepen dat er gewerkt wordt aan een regel die verbiedt dat je in geen enkele situatie een teruggespeelde bal in je handen mag pakken. Dan wordt het nog moeilijker, maar Frans Hoek zal daarvoor al weer trainingsvormen hebben bedacht. Al vind ik het wel erg ver gaan zo langzamerhand.”

Hij zegt veel van Hoek te hebben opgestoken. “Er is een verschil tussen keepen en keepen. Waar moet je staan? Ik kan me door mijn lengte iets voor het doel opstellen. Wat doe je bij een voorzet? Mijn techniek is aangescherpt, m'n snelheid en sprongkracht zijn verbeterd. Van Gaal ziet het keepersgebeuren trouwens ook aardig. Soms tot je spijt. Maar als je er met hem over praat, kom je altijd tot de conclusie dat het ook anders kan.”

Teamgenoot Frank de Boer noemde hem al de beste keeper van de wereld. Hoek vindt dat je dat eerst moet bewijzen op een wereldkampioenschap voor landenteams. “Al heeft Van der Sar buiten Preud'Homme op dit moment niet veel concurrenten. Hij is erg allround.” Zijn leidinggevende rol in de wedstrijd is volgens Hoek nog voor verbetering vatbaar. Dat heeft misschien ook met uitstraling en persoonlijkheid te maken. De doelman zelf voelt zich nog geen Hans van Breukelen. “Die had doorgeleerd en was natuurlijk ouder toen hij zo overkwam. Het is als voetballer moeilijk om jezelf te ontwikkelen. Wij leven toch in een beperkt wereldje. Ik heb geen enkele ervaring opgedaan in de maatschappij. Je probeert op de hoogte te blijven door te lezen en naar het Journaal te kijken. Maar als je in het buitenland bent is er nooit een Nederlandse krant. Dan mis je al weer het nodige.”

Van der Sar heeft een imago van saai en kleurloos. Misschien omdat hij niet aan het stereotype beeld van een voetballer beantwoordt. Misschien omdat hij een rustig karakter heeft, zich vaak terugtrekt met een boek als anderen gaan kaarten. “Dat stempel van saai en kleurloos heb ik ooit eens gekregen en daar kom ik niet meer gemakkelijk vanaf. De laatste anderhalf jaar probeer ik dit te vermijden in interviews. Gaat het me irriteren als een journalist het weer wil schrijven.”

Morgen kan Van der Sar in Rotterdam het record van Heinz Stuy nog dichter benaderen. Vroeger was hij Feyenoord-supporter. Omdat zijn buurjongetje dezelfde club adoreerde. Een volle Kuip blijft een belevenis, al is het te hopen dat de supporters van beide rivaliserende groepen zich zullen gedragen. De misselijk makende racistische uitingen in Boedapest en op Malta zitten bij Van der Sar nog vers in het gehoor. “Natuurlijk hoor je dat als voetballer op het veld. Ze proberen je ermee uit je concentratie te halen, maar wij storen ons er niet te veel aan. Je denkt: 'klootzakken' en je speelt verder. De mensen die oerwoudgeluiden roepen zijn zo stom als het achterend van een koe. Dat zo'n waarnemer er niets aan doet, daar zakt je broek van af. Wij zijn als elftal niet bij machte van het veld te lopen. Dat kost je twee jaar uitsluiting waardoor de club misschien veertig miljoen aan inkomsten misloopt. Je kunt alleen hopen dat de UEFA actie onderneemt.”