Hillegom, Nieuwegein, Monster en Urk willen 15 miljoen gulden na faillissement van kleine bank; Gemeentelijke eisen aan DNB: unieke zaak

ROTTERDAM, 21 OKT. “Dit bankje heeft met dit soort zaken geen bestaansrecht”. Oud-bankier Van Diest, die in opdracht van De Nederlandsche Bank in 1981 als puinruimer werd aangesteld bij de kleine Amsterdam-American Bank, had weinig tijd nodig voor een vernietigende conclusie. Een paar dagen later was de bank failliet.

Dat was meer dan veertien jaar geleden. Woensdag stond de ondergang van de Amsterdam-American Bank centraal bij de Amsterdamse rechtbank, waar vier gedupeerde Nederlandse gemeenten (Hillegom, Nieuwegein, Monster en Urk) bijna 15 miljoen gulden eisen van De Nederlandsche Bank. Een unieke zaak. Als het mis gaat in de financiële sector ligt kritiek op het toezicht voor de hand. Deze affaire is de eerste in Nederland waarin de rechter een oordeel moet vellen over de controle van de toezichthouders op de financiële sector, in dit geval van De Nederlandsche Bank.

De vier gemeenten hadden voor miljoenen guldens deposito's bij de kleine Amsterdamse bank geparkeerd. Het bankje betaalde namelijk een achtste procent meer rente dan grote, goed bekend staande banken als ABN, Amro of Rabobank. De gemeenten vinden dat het toezicht van de centrale bank gefaald heeft en dat De Nederlandsche Bank de schade moet vergoeden.

De ondergang van de Amsterdam-American Bank is nooit een echte affaire geworden zoals het faillissement van de kleine levensverzekaar Vie d'Or (1993), waarover deze week het rapport van een parlementaire onderzoek werd gepubliceerd, of het bankroet van de Tilburgsche Hypotheekbank (1982). De Amsterdam-American Bank had in tegenstelling tot Vie d'Or en de Tilburgsche geen particuliere klanten.

Toch zijn er opmerkelijke parallellen. De procedure van de gemeenten heeft zoveel tijd gekost omdat de juristen op weg naar de Amsterdamse rechtbank een omweg moesten nemen over Den Haag (Hoge Raad) en Luxemburg (Europees Hof) om vast te stellen of medewerkers van de centrale bank zich konden beroepen op een zwijgplicht over het toezicht.

Toezichthouders op de financiële bedrijfstak doen hun werk op basis van wettelijk vastgelegde vertrouwelijkheid. Dat was het argument van de Verzekeringskamer, de controleur van pensioenfondsen en verzekeraars, om zich te verzetten tegen een onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar de ondergang van Vie d'Or. En dat was het argument van toenmalig onder-directeur Hillenius van De Nederlandsche bank om geen gedetailleerde vragen over het toezicht op de Amsterdam-American Bank te beantwoorden.

Uiteindelijk moest hij toch getuigen, maar werd per vraag beoordeeld of er sprake was van een schending van de geheimhoudingsplicht. Gezien de tijd die het de vier gemeenten kostte om De Nederlandsche Bank aan het praten te krijgen, kan de Stichting Vie d'Or, die de overheid en de Verzekeringskamer namens gedupeerden met miljoenenclaims bestookt, haar borst nat maken.

Zowel Vie d'Or, als de Tilburgsche Hypotheekbank als de Amsterdam-American bank waren kleine instellingen, die bij faillissement de hele financiële sector niet in wanorde zouden storten. Toezichthouders zullen het nooit erkennen, maar schaalgrootte speelt een rol bij de vraag of financiële bedrijven gered moeten worden of niet. Kleintjes zijn niet cruciaal voor het vertrouwen van het grote publiek in de financiële sector en voor het economisch leven.

Na het bankroet volgt de kater. Elke generatie financiers heeft recht op zijn eigen tijdperk vol stroppen, die hen ervan doordringen dat ook banken en verzekeraars bedrijven zijn die door bestuursfouten en/of economische tegenwind kunnen verdwijnen. En elke generatie toezichthouders heeft recht op zijn eigen debâcles, waarin zij getest worden op daadkracht, alertheid en diplomatie. Toezichthouders zijn in de praktijk als de generaals na de Tweede Wereldoorlog: hoog opgeleid, maar zonder praktijktraining. En dan gaat er nog wel eens wat mis, als er toch moet worden opgetreden.

Wij doen het altijd fout, verzuchtte een Britse bankentoezichthouder een paar jaar geleden. Als wij een bank redden, krijgen wij kritiek dat wij belastinggeld gebruiken om een failliete boel te redden. Laten wij een bank vallen, dan staan de spaarders en de politici op hun achterste benen.

De ondergang van de Tilburgsche leidde tot een veel scherper bankentoezicht, het bankroet van Vie d'Or heeft nu dezelfde gevolgen voor de verzekeringsbranche. Minister Zalm van financiën heeft deze week ook een wetsvoorstel naar de Raad van State gestuurd voor scherper overheidstoezicht op de financiële toezichthouders. De Amsterdamse rechtbank moet nu beoordelen of er naast extra regels ook nog schadevergoeding moet komen.

    • Menno Tamminga