Helderziend in Swaziland

JAMES HALL: Sangoma

258 blz., geïll., Bruna 1995 (vert. Inge Gans en Theo van der Ster (Sangoma 1994), ƒ 34,50

Sangoma, het geruchtmakende autobiografische boek van James Hall, bevat twee portretfoto's van de schrijver die door hun grote contrast onmiddellijk de aandacht trekken. De ene is gemaakt in Beverly Hills, Californië. Een modieus geklede Hall kijkt trots en zelfbewust in de camera. Zijn rechterhand rust op de zijkant van zijn dierbaarste bezit, een perfect gerestaureeerde Cadillac uit 1937. Daaronder staat de andere foto, enkele jaren later gemaakt in Swaziland. Het vlotte kostuum heeft plaatsgemaakt voor een eenvoudige lendendoek, en een soortgelijke verandering valt terug te vinden in de gezichtsuitdrukking van Hall: ernstig, in zichzelf gekeerd, vol van ervaringen die wel heel ver afstaan van zijn prachtige Cadillac.

De foto's markeren het begin- en eindpunt van een wonderbaarlijke geschiedenis: de transformatie van een universitair gevormde, succesvolle Amerikaanse scenario-schrijver tot een volwaardige sangoma, een Afrikaanse traditionele genezer die met behulp van zijn vooroudergeesten beschikt over paranormale gaven. En er is nog iets anders waar de foto's naar verwijzen. De onverbiddelijke scheidslijn namelijk tussen het rationeel georiënteerde westerse denken en het geloof in een actieve geestenwereld zoals die zich manifesteert in de persoon van een sangoma.

Het is dezelfde scheidslijn die maakt dat boeken als Sangoma zo moeilijk te beoordelen zijn. Als nuchtere westerling ben je geneigd te zeggen: Hall heeft een interessant en boeiend boek geschreven, ook al staat het boordevol met onzin. Maar dat laatste zou geen recht doen aan de onmiskenbare eerlijkheid en authenticiteit van het boek. Moet je van de weeromstuit dan maar alles voor zoete koek aannemen? Nee, dat druist weer al te zeer in tegen je 'gezonde' westerse verstand. Maar laat de inhoud van het boek eerst voor zichzelf spreken.

Het begon allemaal in 1986 toen Hall in Guinee verbleef om daar Miriam Makeba, de bekende Afrikaanse zangeres, te interviewen; dit naar aanleiding van een boek met haar levensverhaal waar hij als schrijver voor was aangezocht. Tijdens het gesprek blijkt dat Hall als vanzelf het antwoord al weet op sommige nog te stellen vragen. Makeba zegt dat hij beschikt over de gave van helderziendheid, en ze raadt hem aan contact te zoeken met een sangoma. Maar voor het zover is, gaat Hall eerst terug naar Amerika waar zich een reeks merkwaardige verschijnselen aan hem voordoet. Zo vallen er opeens straatlantaarns uit als hij er langs loopt, en klinkt er op een avond een luid geknetter boven zijn hoofd: een soort elektrische ontlading die een gemene schroeiplek in zijn haardos achterlaat.

Pas twee jaar later komt hij weer in gesprek met Makeba, en nu weet ze hem ervan te overtuigen een sangoma te bezoeken. Die vertelt Hall dat hij een aantal krachtige lidloti's bezit (vooroudergeesten, niet noodzakelijkerwijs verwant aan de drager), en dat hij voorbestemd is om sangoma te worden. Na enig aarzelen, stelt Hall zich uiteindelijk onder de hoede van een ervaren vrouwelijke sangoma in een dorpje in Swaziland, en breekt de periode aan van kutfwasa: het proces van rituelen en studie dat iemand moet ondergaan om sangoma te worden. Met behulp van allerlei zuiveringsrituelen en medicinale kruiden worden de lidloti's uitgenodigd zich kenbaar te maken. Pas dan, als ze zich hebben geopenbaard, zal de toekomstige sangoma over hun vermogen tot helderziendheid kunnen beschikken bij het genezen van mensen.

Van groot belang bij kutfwasa zijn de avondlijke seances rond de indumba (geestenhuis) van het dorp. Terwijl buiten gezang opklinkt en de trommels opzwepend roffelen, zit Hall in de indumba weggedoken onder een zwaar wit laken. Onder invloed ook van de kruidenmengsels, constateert hij al enkele dagen een verandering van stemming bij zichzelf: “Ik voelde me steeds passiever, niet slaperig maar teruggetrokken. Mijn lichaam voelde als een schelp waarin mijn bewustzijn vrij en onafhankelijk rondzweefde. Mijn geest leek te krimpen, mijn gehoor en gezichtsvermogen vervaagden. Mijn spieren voelden licht en slap aan en het leek wel of ik bijna niet meer ademhaalde.”

Het duurt niet lang of de eerste visioenen dienen zich aan, gevolgd, in de loop der maanden, door maar liefst acht lidloti's die de een na de ander bezit nemen van Halls bewustzijn, het laken van zich afwerpen, de indumba uitrennen en zich voorstellen aan de verzamelde menigte. Wat een wonderlijk gezelschap is het dat Hall daar al jaren in stilte met zich meedraagt.

De eerste die verschijnt is een sombere Schotse boer, John McDonald geheten, die een heel treurig verhaal houdt over zijn kinderen die allemaal gestorven zijn. Hij wordt opgevolgd door een Indiaan uit de negentiende eeuw, White Feather, die ook al weinig reden tot vrolijkheid heeft, want zijn land is door de blanken gestolen en zijn volk reddeloos ten onder gegaan. “Wie is het die spreekt over God en de duivel dient?” roept hij wanhopig uit om vervolgens in huilen uit te barsten. Daarna - om een lang verhaal kort te maken - verschijnen er nog een blanke, Amerikaanse reclameman uit de jaren twintig, de Italiaans-Amerikaanse grootmoeder van Hall, een Spaanse boer uit Californië, een ongeboren kind, een Japanse vrouw die Winterbloesem heet en allerlei afschuwelijke dingen heeft meegemaakt, en een Afrikaanse zebrajager van honderden jaren geleden.

Dank zij de geactiveerde lidloti's slaagt Hall er steeds beter in zijn helderziendheid te ontwikkelen, en voorspellende uitspraken te doen over de kwalen van mensen die zijn hulp inroepen. Het examen dat de periode van kutfwasa afsluit, doorstaat hij dan ook met glans. Als eerste blanke wordt hij gewijd tot sangoma, en in 1992 begint hij een eigen trotse praktijk in Swaziland.

En dan is het boek uit, en weet je nog altijd niet hoe je het moet beoordelen. Het valt niet uit te maken, ook al doordat kritische vragen en kanttekeningen bij voorbaat machteloos staan op dit magische terrein. De enige mogelijkheid die nog resteert is een soort tussenweg. Uit de antropologische literatuur over het onderwerp blijkt dat sjamanen (als sangoma's) bijna altijd mensen zijn die lijden aan bepaalde psychische stoornissen, met name schizofrenie. Nu hoeft dat in die mate niet ook voor Hall te gelden, maar het is zeker niet denkbeeldig dat de omstandigheden waarin hij verkeerde (de ingenomen kruiden, het lawaai van de trommels, dat verstikkende laken) hem bijna letterlijk naar het hoofd stegen. In dat geval zou je dus kunnen zeggen dat hij inderdaad een waarheidsgetrouw verslag geeft van zijn ervaringen, zij het dat die waarheid zich uitsluitend beperkt tot zijn eigen gemanipuleerde bewustzijn. Maar ook die benadering heeft iets onbevredigends, al is het maar omdat geen rekening wordt gehouden met de honderden dorpsgenoten van Hall die hem met hart en ziel ondersteunden tijdens zijn proeftijd en die iedere lidloti met groot enthousiasme begroetten. Laat ik me er maar veilig van afmaken: met Sangoma heeft James Hall een heel spannend avonturenboek geschreven.