Hanan Ashrawi (1946); Een godsgeschenk voor de Palestijnen

HANAN ASHRAWI: This side of peace. A personal account

320 blz., geïll., Simon & Schuster 1995, ƒ 50,50. De Nederlandse vertaling, Deze kant van de vrede, is verschenen bij De Boekerij, ƒ 39,50.

Twee jaar was de thans 49-jarige dr. Hanan Mikhail-Ashrawi woordvoerster van de Palestijnse delegatie bij de vredesbesprekingen met Israel. In die hoedanigheid werd zij de lieveling van de Westerse media. Niet vaak hadden deze een Palestijn ontmoet die met zoveel hartstocht en ingehouden agressie en in zulk voorbeeldig Engels het absolute Palestijnse gelijk kon afzetten tegen het absolute kwaad van de Israelische bezetting, zonder te vervallen in verroeste, anti-imperialistische of versluierd antisemitische slogans.

In beperkte kring was Hanan Ashrawi al sinds het begin van de jaren '70 bekend als voorstandster van een onafhankelijke Palestijnse staat naast Israel, omdat zij begreep dat de joodse staat domweg niet vernietigd kon worden. De intifada, de in december 1987 uitgebroken Palestijnse volksopstand in de door Israel bezette gebieden, gaf haar de mogelijkheid met die ideeën op de voorgrond te treden. Zij werd het middelpunt van het mede door haar gevormde Palestijnse Politieke Comité, dat aan bezoekende buitenlanders de situatie in de bezette gebieden uitlegde, alternatieve opties opstelde voor het Verenigd Leiderschap van de Intifada (dat na korte tijd vrijwel geheel door de PLO-leiding in Tunis werd gedirigeerd) en aan academische fora in het buitenland de milde kant van de PLO-politiek vertolkte.

Jarenlang hadden de Palestijnse intellectuelen in de bezette gebieden gewacht op wat de PLO (de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie, de paraplu van bijna alle Palestijnse politieke- en strijdgroepen) uit Beiroet en Tunis besliste, zonder ook maar één stem in het kapittel te hebben. Voor de PLO waren de Palestijnen in de bezette gebieden een quantité négligeable, omdat de organisatie tegen beter weten in bleef geloven in het nut van de 'gewapende strijd', die alleen uit de Arabische buurlanden kon worden gevoerd. Zelfs nadat de meeste PLO-strijders uit Libanon waren verjaagd - in 1982 door Israel en in 1983 door de Libanese bondgenoten van Syrië - hielden de PLO-leiders vast aan die fictie. Daardoor kregen de Palestijnen in Libanon, die zich tijdens de 'kampen-oorlogen' tegen Syrië en zijn Libanese bondgenoten verzetten, alle aandacht en eer.

Aan die situatie kwam pas in 1988 een eind, nadat de intifada voor het eerst sinds decennia de Palestijns-Israelische strijd weer naar Palestina had verplaatst. Het directe gevolg was dat de PLO-leiding in Tunis gedwongen werd nauwkeuriger te luisteren naar hetgeen de Palestijnen in de bezette gebieden te zeggen hadden, waardoor de Palestijnse intellectuele elite aldaar, mits zij zich aanpaste aan de wensen van 'de straat', de mogelijkheid kreeg zich te profileren. Zij probeerde zo goed mogelijk de ideeën te vertolken van 'de kinderen van de stenen', die niet langer bij voorbaat onvervulbare idealen nastreefden, zoals de totale vernietiging van Israel, maar op korte termijn van de Israelische bezetting af wilden.

Betweters

Zo ontstond een leiderschap 'van binnen', dat door het Palestijnse leiderschap 'van buiten' - dat wil zeggen door Arafat - aanvankelijk in de watten werd gelegd, maar langzamerhand als een stel hinderlijk-eigenwijze betweters werd gezien en uiteindelijk zelfs als een bedreiging voor zijn eigen positie. Want hoewel de mensen 'van binnen' er voortdurend op hamerden dat de PLO in Tunis de enige legitieme vertegenwoordigster was van het Palestijnse volk, maakte de onwil van de Israelische regering om met de PLO zaken te doen, de mensen 'van binnen' in toenemende mate tot de vertegenwoordigers van de Palestijnen.

Nadat eind 1988 de PLO eindelijk de twee staten-oplossing in Palestina van de mensen 'van binnen' had overgenomen en zich voor een vrede met Israel had uitgesproken, verscherpten gaandeweg de onderhuidse tegenstellingen. De mensen 'van binnen' hadden het gevoel dat zij de Israelische samenleving veel beter begrepen dan de mensen 'van buiten'. En de PLO in Tunis was als de dood zo bang dat de mensen 'van binnen' een alternatief leiderschap zouden vormen. Die voortdurende spanning zou in 1993 exploderen, toen Arafat, achter de rug van 'zijn' uit de bezette gebieden afkomstige vredesonderhandelaars in Washington, tot geheime onderhandelingen en afspraken met Israel kwam - resulterend in het zogenoemde Oslo-1-akkoord.

Maar voordien zouden de mensen 'van binnen' een belangrijke rol spelen in het aanknopen van betere betrekkingen met het Amerikaanse State Department en minister van buitenlandse zaken James Baker. Zij vervingen de PLO, die zich door haar openlijke sympathie voor Saddam Hussein in de Koeweit-crisis politiek had uitgerangeerd. Hanan Ashrawi was in die fase één van de Palestijnse hoofd-onderhandelaars. Omdat zij 'namens het Palestijnse volk sprak', maar uiteindelijk geen enkele beslissingsbevoegdheid had, kon zij het zich permitteren de Amerikanen ondiplomatiek - zelfs 'grof', zoals zijzelf toegeeft - toe te spreken.

Eind oktober 1991 werd zij een internationale beroemdheid, toen onder het oog van duizenden journalisten uit de hele wereld in Madrid de eerste internationale Arabisch-Israelische vredesconferentie werd geopend, waaraan ook de Palestijnen deelnamen, hoewel officieel nog niet de PLO. Vooral dank zij haar onvermoeibare inzet werd deze publicitaire happening voor het oog van de tv-camera's door de Palestijnen glansrijk gewonnen. De rede van de Palestijnse delegatieleider, dr. Haider Abdel Shafi, was zó welsprekend dat iedereen erdoor werd getroffen. De auteur van deze door Arafat op 'politieke correctheid' gecorrigeerde speech was Hanan Ashrawi. Voor de journalisten was het nog veel interessanter dat Ashrawi, als Palestijns woordvoerster die door Israel en de VS officieel niet werd geaccepteerd en dus werd geboycot, er voortdurend in slaagde hen toe te spreken - op een tafel in het aanvankelijk voor haar verboden verklaarde perscentrum of in een park voor haar hotel.

Christelijk

Hanan Ashrawi groeide op in een typisch christelijk upper-middle-class-milieu, waar men de traditionele Arabische identiteit zo goed mogelijk combineerde met de nieuw verworven Westers-culturele waarden. Het was ook een liefdevolle en beschermende omgeving, waar de religieus-christelijke beginselen van haar Libanese moeder, die van goede afkomst was, hand in hand gingen met de sociale ideeën van haar Palestijnse vader, een politiek geëngageerde arts. Hij prentte zijn dochters in dat zij geen Jordaniërs waren, maar Palestijnen - een even verboden woord op de toen nog door Jordanië geregeerde Westelijke Jordaanoever, als later onder de Israelische bezetting. Ook bracht hij hun vanaf hun vroegste jeugd bij dat vrouwen niet minder zijn dan mannen, en dus recht hebben op zowel een opleiding als hun eigen mening.

De intelligente, aan werk verslaafde en buitengewoon ambitieuze Hanan hoefde zich dat niet meermalen te laten zeggen. Zeer overtuigd van zichzelf, was zij reeds als studente politiek actief, en altijd in een min of meer leidende rol. Eerst aan de Amerikaanse Universiteit van Beiroet en vervolgens aan de universiteit van Virginia in Charlottesburg. Later nam zij, als docente Engelse literatuur aan de universiteit van Bir Zeit, vlakbij Ramallah, opnieuw duidelijk zichtbaar deel aan politieke acties, in dienst van de intifada.

Voor de Palestijnse zaak was zij een godsgeschenk, omdat de Palestijnen over het algemeen geen flauw idee hadden hoe ze public relations moesten bedrijven, en zeker niet hoe ze de Amerikaanse publieke opinie moesten beïnvloeden. Hanan Ashrawi wist dat door haar studie en verblijf in de VS wèl. Daarom legde zij, veel meer dan andere PLO-woordvoerders, de nadruk op de humanitaire nood van haar volk onder de Israelische bezetting. Zij mengde haar gloedvolle emoties, haar bijtend sarcasme en haar selectieve herinneringen tot een spannende cocktail. Zo slaagde zij, als weinig anderen, erin haar gehoor ervan te overtuigen dat de Palestijnen in de bezette gebieden uitsluitend slachtoffers waren, wier gelijk maar niet werd gehoord.

Met die boodschap maakte zij grote indruk, omdat zij dank zij haar ouderlijk huis, haar opleiding en haar eigen inzet tot de toplaag behoort van de Palestijnse intellectuele elite. Dat stelde haar in staat om op gelijk niveau en zonder twijfels of minderwaardigheidsgevoelens haar Westerse en Israelische gesprekspartners tegemoet te treden.

Herhaaldelijk heeft zij gezegd dat haar boek This Side of Peace - a Personal Account absoluut niet mag worden gezien als haar levensverhaal. “Het is het verhaal van het Palestijnse aandeel in het vredesproces en het voorspel daarvan.” Dat is maar zeer ten dele waar. In werkelijkheid is het boek veel meer: zowel een uiterst subjectieve geschiedenis van het vredesproces waarin haar Israelische medestanders nauwelijks aan bod komen, als een vervolg op haar jarenlange public relations-campagne - ditmaal echter niet meer alleen voor de Palestijnse zaak, maar ook voor haarzelf. Tevens toont het boek aan dat Hanan Ashrawi niet één, maar vele zorgzame vaders wil hebben. Arafat, het topstuk van die collectie, heeft zij intussen, zonder het met zoveel woorden te zeggen, afgeschreven. In de Zuidafrikaanse president Nelson Mandela vond zij wat zij bij Arafat tevergeefs had gezocht - helaas: ver buiten Palestina.

De beschrijving van haar zonnige familierelaties kan zo uit de Bouquetreeks of een damesblad komen. De relatie bijvoorbeeld met haar geadoreerde vader en haar bijzonder aardige, niet-politiek geöriënteerde echtgenoot, Emile, een fotograaf, die - precies zoals haar vader - haar alle ruimte en steun geeft om haar onuitputtelijke energie naar eigen goeddunken uit te leven. En niet te vergeten de relatie met haar twee beminde dochters, zonder wier liefde en begrip zij naar eigen zeggen nooit zoveel ontberingen had kunnen doorstaan. “Zij hebben mij uitgeleend aan het vredesproces.” Maar al die honingzoete beschrijvingen zijn wel degelijk functioneel; zij vervlecht ze voortdurend met de Palestijnse geschiedenis, het Palestijnse sociale leven en de Palestijnse nationale eisen.

Even voorbeeldig zijn haar vlekkeloze vriendschappen met en haar bewondering voor talloze edele en moedige voorvechters van de Palestijnse zaak, die onveranderlijk uitsluitend humanistische doeleinden nastreven. De woorden 'authenticiteit' en 'menselijkheid' keren dan ook als een repeterende breuk in haar boek terug, evenals haar liefde voor bomen en bloemen, die door de Israelische bezetters met hun bulldozers worden weggewalst. Zo stapelt zij cliché op cliché om Goed tegen Kwaad af te zetten. Bijvoorbeeld bij de beschrijving van Salwa Mustafa, die één keer als haar gastvrouw ten tonele verschijnt om vervolgens niet meer op te dagen: “Salwa, een Tunesische vrouw die Palestina als haar zaak en de kern van haar wezen had omarmd, straalde letterlijk energie en hartstocht uit. Moedig, openhartig en niet versagend, had zij dat unieke gevoel voor brandende eerlijkheid en ontroerend mededogen. Haar diepzwarte ogen en haar glanzende haren waren, evenals haar waardigheid en trots, die van een Arabische volbloed merrie.”

Het is tegenwoordig goed gebruik van vele schrijvers om de recente geschiedenis of hun eigen memoires deels in dialogen weer te geven. Hanan Ashrawi heeft deze methode uitbundig toegepast. Het vergroot de levendigheid en de leesbaarheid van haar verhaal, maar het verzwakt tegelijkertijd de geloofwaardigheid. Want zij geeft niet alleen letterlijk de tekst weer van haar - vaak zeer scherpe - gesprekken met de Amerikaanse minister James Baker, maar ook met Yasser Arafat, haar Palestijnse collega's en zelfs met haar naaste familieleden. Zó veel geheugen lijkt meer wonder dan menselijk te zijn, want het is hoogst onwaarschijnlijk dat ze àl die gesprekken tijdens of direct na afloop heeft opgetekend.

Geloofwaardigheid

Toch vervullen die dialogen soms een heel nuttige functie omdat zij een bepaalde sfeer en werkelijkheid schetsen, waardoor de auteur ontheven wordt van de verantwoordelijkheid om zèlf al te pijnlijke of riskante conclusies te trekken. Zoals bij de talloze inter-Palestijnse conflicten, die de zeer loyale Hanan Ashrawi hetzij niet weergeeft òf, als het dan tòch moet, met de mantel der liefde bedekt, dan wel met wollig taalgebruik afschermt.

Maar af en toe kan zij het niet laten, zoals bij de ruzie tussen haar collega's Faisal Husseini en Sari Nusseibeh enerzijds en Yasser Arafat anderzijds over de keus van de Palestijnse afgevaardigden naar de vredesconferentie in Madrid: “Toen ik (het huis van Faisal Husseini) binnenging, overhandigde iemand mij de telefoon. Aan de andere kant van de lijn was Abu Ammar (Arafat, M.S.). 'Dit is opstand. Ik accepteer dat niet. Het is aan mij om te beslissen wie er op de lijst staat.'

“Natuurlijk. Maar wat is er gebeurd? Ik ben bang dat ik niet op de hoogte ben van het probleem. Hebt u met Faisal of Sari gesproken?”

“Ja, en ik wil niet meer met ze praten. Ze denken dat zij de leiders zijn, en weigeren de namen toe te voegen die ik heb gekozen. Dit is een regelrechte opstand en ik zal dat niet over mijn kant laten gaan. Het is ongelooflijk. Zullen zíj me vertellen dat ik niet het gezag heb om de namen toe te voegen die ik wil?”

“Ik ben er zeker van dat ze het niet zo bedoelen. Misschien bekijken ze de zaken uit een ander perspectief. Wij hebben geloofwaardigheid nodig voor de leden van de delegatie en wij hebben al petities gekregen uit verschillende afdelingen.”

“Wat geloofwaardigheid? Ik weet wat er nodig is en ìk zal beslissen wat het beste is.”

“Niemand denkt er anders over. Zonder twijfel is de beslissing aan u. Maar we moeten de lijst snel hebben. De bijeenkomst heeft al vertraging opgelopen.”

“Er zal vandaag geen lijst zijn. Geef (minister) Baker niets officieels.”

Nog een paar maal maakt Ashrawi met de weergave van zo'n dialoog duidelijk waar het Arafat eigenlijk om gaat. “Andere leiders geven alleen maar instructies aan hun delegaties en ze gehoorzamen. Maar ik moet jullie vleien, overreden en met jullie discussiëren. Mijn geloofwaardigheid staat op het spel - of ik al dan niet (politieke resultaten, M.S.) kan leveren. Zijn er hier twee leiderschappen?”

Helemaal of maar een beetje waar - dit soort gesprekken, zoals weergegeven door Hanan Ashrawi, laat zien dat Arafat langzamerhand geobsedeerd werd door het van Israelische kant aangemoedigde, maar volstrekt denkbeeldige idee dat er een alternatief leiderschap in de bezette gebieden aan het ontstaan was, waardoor zijn positie als leider van alle Palestijnen gevaar liep.

Val

De parlementsverkiezingen van 1992 in Israel leidden tot de val van de Likud-regering. De nieuwe regering onder premier Rabin streefde, in tegenstelling tot haar voorgangster, niet langer naar vrede met de Arabieren 'in ruil voor vrede', maar 'in ruil voor land'. Maar ook toen kwam er geen schot in de onderhandelingen. Rabin wilde aanvankelijk geen macht van betekenis afstaan aan een Palestijnse overheid. Hij wilde geen gekozen Palestijns parlement en niet praten over Jeruzalem of de nederzettingen in de bezette gebieden.

De PLO reageerde navenant. “De instructies van de PLO werden steeds onbuigzamer en veeleisender”, schrijft Ashrawi. “Terwijl wij (de onderhandelaars, MS) ons hielden aan onze uitgangspunten voor de onderhandelingsstrategie, werd het leiderschap (lees: Arafat, MS) afkerig om zelfs maar de indruk te vestigen van vooruitgang op technische zaken. Toen begon ik me af te vragen of er misschien een geheim onderhandelingskanaal in werking was getreden, en ik vroeg dat aan Abu Mazen en Abu Ammar. Beiden ontkenden het.”

Volgens Ashrawi vertaalde de door de Amerikanen consistent volgehouden politiek van niet-inmenging zich in volledige steun aan de sterkste partij in de onderhandelingen: Israel. Maar die politiek leidde uiteindelijk ook - toen de Washingtonse onderhandelingen in een totale impasse belandden en Rabin geen centimeter dichter bij de door hem beloofde vrede kwam - tot geheime en directe besprekingen tussen de PLO en Israel. Eind 1992 gingen ze aarzelend van start, werden een half jaar later echt serieus en mondden augustus 1993 uit in het Oslo-1-akkoord. De vaak zéér discrete Ashrawi zegt niet expliciet dat Arafat de onderhandelingen in Washington welbewust liet verzanden, door de Palestijnse delegatie aldaar steeds onmogelijker opdrachten te geven. Daarmee liet hij Rabin indirect weten dat deze zonder of buiten hem om niets klaar kon spelen.

Het laatste gedeelte van het boek is verreweg het interessantste, omdat Hanan Ashrawi daar nuances aanbrengt in haar verhaal over de strijd tussen de bad guys (de Israeli's, die nog steeds uitzonderlijk slecht zijn) en de good guys (de Palestijnen, die niet langer uitsluitend in roze kleuren worden afgeschilderd). Die kentering wordt veroorzaakt door de groeiende frustraties van haar en haar mede-onderhandelaars in Washington. Steeds meer kregen zij het gevoel dat zij door Abu Ammar, hun eigen leider die zij voortdurend met zoveel verve hadden verdedigd, voor gek werden gezet. De spanningen namen toe, ook al omdat de mensen 'van binnen', die voor een groot deel academici waren en geen beroepspolitici, onder zware druk kwamen van hun achterban in de bezette gebieden. Daar bracht men steeds minder begrip op voor het werk van de onderhandelaars, die nu eens door Tunis werden gedwongen geen enkele concessie te doen, om vervolgens zeer vèrgaande concessies te moeten verdedigen, die zij naar hun eigen gevoel niet konden verantwoorden.

Verbittering

Bovendien was juist Hanan Ashrawi één van degenen die zich de afgelopen jaren zeer hadden ingezet voor een dialoog met de Israeli's. Zij en enkele anderen hadden, met steun overigens van Arafat, zelfs het Nederlandse ministerie van buitenlandse zaken ingeschakeld om met de Israelische Arbeiderspartij informeel contact op te nemen. De verbittering bij de Palestijnse onderhandelaars was dan ook groot toen zij merkten dat zij achter hun rug door hun eigen 'leiderschap' waren gebruikt - en naar veler gevoel misbruikt.

Tijdens de plechtige ondertekening van 'Oslo-1', twee jaar geleden, was het al duidelijk dat de Palestijnse intelligentsia in de bezette gebieden haar kortstondige politieke invloed had verloren. De kloof tussen de mensen 'van binnen' en die 'van buiten' manifesteerde zich bij de aankomst van Arafat in Washington. Beide groepen stonden letterlijk apart van elkaar opgesteld.

In de maanden daarop werd die kloof steeds breder. De meeste vertegenwoordigers van de mensen 'van binnen' wilden niets te maken hebben met de naar hun smaak onduldbare concessies die Arafat deed om Israel, de VS en de donorlanden tevreden te stellen. Zij namen afstand van Abu Ammar en zijn Palestijnse Autoriteit - sommigen openlijk, anderen met allerlei excuses om zich niet te hoeven uitspreken. Weer anderen, onder wie Hanan Ashrawi, kozen de zijlijn, maar sloten de kanalen met de Palestijnse overheid niet af.

In de praktijk is die overheid nog steeds Arafat zelf. Hij alleen bepaalt in laatste instantie de politieke koers, zoals hij dat al tientallen jaren doet. Zijn door hem op persoonlijke loyaliteit uitgezochte metgezellen uit Tunis, alsmede enkele super-loyale (of opportunistische?) intellectuelen 'van binnen' helpen hem daarbij. Een nieuw fenomeen, door Ashrawi angstvallig verzwegen, is dat thans anderen 'van binnen' belangrijk zijn geworden: vertegenwoordigers van de oude families en clans, die door de bezetting en de intifada veel invloed hadden verloren, maar nog steeds kapitaalkrachtig genoeg zijn om hun schijnbaar verloren macht gedeeltelijk te herstellen.

In veel opzichten lijken de politieke ervaringen na afloop van 'de Palestijnse Revolutie', oftewel de Palestijnse strijd voor onafhankelijkheid, op de ervaringen van na de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. Ook in Algerije namen de mannen 'van buiten' de tijdelijke en zeer precaire macht over van de mensen 'van binnen'.

Iets van dat proces in Palestina heeft de intellectueel Hanan Ashrawi uit de doeken gedaan. Maar helaas heeft zij slechts een klein tipje van de sluier opgelicht. Uit loyaliteit aan haar nationalistische gevoelens en aan haar nationale leiders, maar misschien ook uit welbegrepen eigenbelang. Want ook zij weet niet wat de toekomst zal brengen.

    • Michael Stein