Günter Grass over het herenigde Duitsland en de toekomst van links; In een goede bui ben ik het voor zestig procent met mezelf eens

Duitsland is nu vijf jaar herenigd en economisch op de goede weg. Literator Günter Grass spreekt echter van een grote 'Stümperei' en een kapitalistisch trucje van het Westen. Vraaggesprek over het Duitse schuldgevoel en de gevaren voor een schrijver om in de politiek te stappen. “Als mijn kinderen naar Nederland reizen, worden ze misprezen en gewantrouwd, ondanks het tijdstip van hun geboorte”.

Lübeck, nazomer, twaalf uur in de middag. Een groot huis met een 'helmdak' en een aparte schuur die omgebouwd is tot schrijf- en schilderatelier. Het manuscript ligt in een ouderwetse klapper op een katheder. “Ik schrijf staande en ik spreek elke zin luidop uit tot hij goed klinkt. Ich bin ein Erzähler,” zegt Günter Grass (67). Trots toont hij zijn met de hand geschreven tekst die dan bijna 700 pagina's telt. Hij voegt er aan toe dat hij alle openbaarheid schuwt over wat zijn magnum opus moet worden.

Als Ein weites Feld eind augustus uitkomt wordt het boek neergesabeld. Het weekblad Der Spiegel laat op de cover Duitslands leidinggevende criticus Marcel Reich Ranicki het boek verscheuren. De Duitse pers spreekt van een onleesbaar, mislukt boek. De auteur bewaart sindsdien een gekwetst stilzwijgen. Pogingen om na het interview Grass een reactie te ontlokken, mislukken. Op de Frankfurter Buchmesse bevestigt zijn literaire agent dat de auteur wenst te zwijgen. Maar gekwetst zou hij niet zijn. “Zolang de beschouwing correct blijft en niet leidt tot onbehouwen politieke afrekeningen, ziet Herr Grass er geen been in. Hij wil momenteel met rust gelaten worden.” Intussen breekt de verkoop van de roman alle records.

Günter Grass, Vaterlantsloser Geselle en Heimatsloser Linke, is de luis in de pels van de Duitse publieke opinie. Hij overgoot in de herfst van 1990 de euforie van de hereniging met scepsis en kritiek. In 1992 zegde Grass de SPD de wacht aan om hun slappe houding in het asieldebat. Hij maakte Kohl en de christen-democraten uit voor 'kontlikkers en skinheads met een stropdas', verantwoordelijk voor het racisme in zijn land. Grass dichtte daarop het balorige 'Novemberland', een cyclus van 13 sonetten die het racistisch geweld en de gevolgen van de éénmaking aan de schandpaal nagelde.

In Ein weites Feld balt Grass de tragiek van twee eeuwen Duitse Sturm und Drang samen in een gewaagde verbinding van elementen uit de historische, psychologische, schelmen- en sleutelroman. Het is een bittere samenvatting van de Duitse eenwording in 1989 en 1990, deze maand juist vijf jaar geleden; de geschiedenis van een genadeloze sanering. Grass borduurt verder op de radicale afwijzing van het fascistische en militaire Duitse verleden dat zijn oeuvre kenmerkt. Dat verleden laat hem tot vandaag niet los. In een recente tweespraak met de Japanse auteur Kenzaburo Oë bij de vijftigste verjaardag van Hiroshima, zingt hij de lof van de vaandelvlucht, de verraders en de deserteurs.

U schrijft: 'Wass Glauben, nichts Glauben, hier herrscht den Zweifel.' Iemand die de twijfel vooropstelt, zal altijd kritiek oogsten.

“De twijfel is mijn credo. Mijn generatie werd geleerd dat er slechts één waarheid bestond. Blödsinn. Er zijn vele waarheden en zelfs vele werkelijkheden. Als je dat aanvaardt betekent ze een verrijking. Dat verkleuterende gegraai naar één Waarheid is het gevolg van deze eeuw: als geen andere wordt ze geplaagd door ideologieën.”

Literair bent u steeds bezig met het fascisme, het oorlogsverleden en het heden. Intussen lijkt het erop dat een cirkel van fascisme zich gesloten heeft, nu extreemrechts zo snel aan belang wint in Europa.

“Het fascisme zal nooit voltooid verleden tijd voor mij zijn. Op mijn veertiende was ik bij de Hitler-Jugend. Er ontstond een kloof in mijn gevoelsleven, zeker toen we ons na de oorlog bewust werden van de misdaden die Duitsers begaan hadden. Dat trauma zal nooit overgaan en ik wil ook niet dat het overgaat. Ik wil de illusie van een 'nieuw begin' niet. Het trauma is een deel van mijn leven en een deel van dit land. Ik heb kinderen die na de oorlog geboren werden en dus de facto onschuldig zijn, maar gewoon omdat ze Duitsers zijn, erfden ze een deel van het schuldgevoelen. Als ze naar Nederland reizen, worden ze misprezen en gewantrouwd, ondanks het tijdstip van hun geboorte. Voor hen is dat pijnlijk onrechtvaardig, maar het is zinloos er de ogen voor te sluiten, zeker nu in heel Europa duidelijk wordt dat het fascisme nieuwe en moderne vormen zoekt zoals in het Italië van Berlusconi. Het nieuwe fascisme, dat zijn niet de bullebakken met stierenekken die met nazi-vlaggen rondlopen. Die leiden alleen de aandacht weg van het échte fascisme in maatpak dat zich zogezegd gematigd opstelt. Dat is veel gevaarlijker.”

Is uw afkeer voor het fascisme de diepere oorzaak voor uw actieve inzet in de Duitse politiek?

“Er bestaat een speciaal soort Duits idealisme dat niet altijd enkel verbaal in ons heeft geleefd, maar vaak ook in de praktijk werd gebracht. Als we ons tot een zaak bekeren - en let op dat woord - als we in een ideaal geloven, dan moet dat in onze ogen blijkbaar totaal zijn. Wat doen Duitsers? Als ze een beslissing nemen, nemen ze die voor 100 procent, dikwijls met afschuwelijke gevolgen. In Oost-Berlijn spreek ik regelmatig met idealistische jongeren die nu alle heil in de PDS zoeken en alweer aan dat 'super-idealisme' leiden. Ik vertel hen altijd: in een goede bui ben ik het voor zestig procent met mezelf eens. Hoe kan ik, als ik niet voor honderd procent met mezelf kan instemmen, het dan volledig eens zijn met de ideeën van ànderen? We hebben compromissen broodnodig. De grote fout in de dagelijkse politieke praktijk is dat de partijen reeds hun bereidheid tot een compromis tonen voordat het bevochten is. Een compromis moet met wederzijdse moeite tot stand komen. Een op voorhand overeengekomen compromis is slecht. Daardoor ontaardt het parlementaire leven in de Westerse democratieën meer en meer tot een schijnvertoning. Want voor men het zogenaamde 'compromis' openbaar maakt, werd er al toe besloten tijdens geheime bijeenkomsten met banken, werkgeversorganisaties of machtige lobby's.”

Hoe moeten de Europese kunstenaars zich opstellen?

“Schrijvers hebben al vaak geprobeerd invloed uit te oefenen op het eenwordingsproces van Europa. Ofwel luistert men niet naar hen - de normale gang van zaken - ofwel gebruikt men ze als 'decoratiemateriaal', wat helemààl onzinnig is. Politici zien het Verenigd Europa enkel in een economisch perspectief. Ik vind dat barbaars. In economisch opzicht zal het Verenigd Europa misschien functioneren, maar cultureel zal het erop achteruitgaan. Misschien is het toeval, maar in de jaren zestig waren er in Europa een paar politici die niet alleen bereid waren om naar kunstenaars te luisteren, maar zelfs tijd vonden om een gesprek met hen op gang te brengen. In Zweden was dat Olaf Palme, in Oostenrijk Bruno Kreisky, in Duitsland Willy Brandt. Dass ist alles weg. Nu hebben we alleen nog austauschbare Pragmatiker. En in de toekomst zie ik evenmin een kans voor opbouwende inspraak van schrijvers of intellectuelen. Zij kijken vérder dan de volgende legislatuurperiode en in de huidige politiek is dat niet gezond.”

De Amerikaanse historicus Paul Kennedy schreef vorig jaar in 'De Wereld in een Nieuwe Eeuw' dat Duitsland zich sinds de eenmaking in een depressie bevindt en alle richtingsgevoel heeft verloren. In het nieuwe Europa was Duitsland volgens u beter een confederatie geweest.

“Het was mijn voorstel om met een confederatie van beide staten te starten en dan te komen tot een Bund deutscher Länder. Mijn alternatief was een federale natie midden in Europa, die uiteindelijk misschien zelfs in Europa zou kunnen opgaan. Neem bijvoorbeeld in het zuidwesten de bondsstaat Baden-Württemberg: die heeft altijd nauwe betrekkingen gehad met de Elzas en Zwitserland. En Saksen heeft in het verleden altijd meer de blik gericht op Praag, Wenen en Krakau dan op Berlijn, want uit Berlijn kwam het Pruisische gevaar. De historische en cultuur-politieke verschillen in Duitsland werden altijd over het hoofd gezien.”

Ooit hebt u gezegd: ik heb hier veel verloren en toch kan ik niet weggaan. Wat betekent Duitsland dan voor u?

“Ik zal u eerlijk antwoorden: Ik weet het dikwijls zelf niet, maar ik kan niet ontkennen dat dit land me blijft fascineren, hoeveel gemengde gevoelens ik er ook over koester. Het moeilijke is dat Duitsland een erg 'verlate' natie is. Pas op het eind van de vorige eeuw kwam dit land met geweld tot stand onder Bismarck. Die pijnlijke ontstaansgeschiedenis heeft een gevaarlijk nationalisme tot gevolg gehad, dat aan de oorsprong van de Eerste Wereldoorlog lag. Dat ontwikkelde zich verder tot de catastrofale misdaden van het nationaal-socialisme. Daarna kwam de scheiding. De Bundesrepublik aan de ene kant en de Deutsche Demokratische Republik aan de andere kant werden snel de Musterschüle van de twee grote politieke stromingen. Het communisme in de DDR was veel getrouwer aan de lijn van Moskou dan dat van Polen, Tsjecho-Slowakije en zelfs Hongarije. En West-Duitsland was bijna ritueel trouw aan de politiek van de VS. Ook deze fase is nu voorbij. Duitsland is opnieuw een souvereine natie. De Duitsers worden nu weer geconfronteerd met de vraag: wie zijn wij, behalve inwoners van een rijk land? Hoe kunnen wij onze natie begrijpen zonder nationalistisch te worden? Op welke tradities moeten wij terugvallen? Het erge is: wij weten het niet. Het gevaar in Duitsland ligt niet op de loer in de rangen van de skinheads, maar in het uitgesproken Duits-nationalisme van politici en gezaghebbende stemmen in de publieke opinie. De linkerzijde heeft de fout begaan om het thema 'de natie' niet uit te diepen. Dat was taboe, omdat wij met het nationaal-socialisme zulke gruwelen beleefd hadden. Ik heb steeds mijn vrienden in de linkerzijde gewaarschuwd: 'Als jullie dat thema laten liggen, zal de rechterzijde het claimen.' Dat is ook gebeurd en het gevaar dat het begrip 'natie' weer op een eng-nationalistische manier wordt beleefd is groter dan ooit.”

Gelooft u eigenlijk nog in de internationale sociaaldemocratie?

“Ik heb nooit in één politiek idee geloofd. Ook niet in de sociaal-democratie. Voor mij is de beslissing om mij in te zetten voor de sociaal-democratie ingegeven door nuchtere overwegingen. Ik heb mijn ideeën opgedaan door de bestudering van Eduard Bernstein, de grondlegger van de sociaal-democratie, die als eerste de utopie van het einddoel in twijfel heeft getrokken. Ik ben meer dan tien jaar lid geweest, maar ik ben een jaar geleden uit de partij gestapt. Dat verandert niets aan het feit dat ik me nog altijd beschouw als een sociaal-democraat. Maar de sociaal-democratie is voor mij geen onveranderlijke toestand. Ik denk dat de kansen voor dit project nooit beter lagen dan nu omdat het communisme abgeführt is en het kapitalisme stagneert. Omdat wereldwijd de sociale onrechtvaardigheid steeds duidelijker wordt, stijgen ook de mogelijkheden voor een sociaal-democratisch politiek bestel. Maar we missen bezielende staatslieden, zoals Brandt en Palme vroeger, die deze nieuwe situatie ook in een programma kunnen gieten.”

Geef het preciese formaat van Brandt dan eens aan.

“Het is intussen duidelijk geworden dat Brandt vooral een politicus was met een indrukwekkend buitenlands beleid. Hij schonk heel vroeg aandacht aan het Noord-Zuid probleem, maar zijn visie werd niet ernstig genomen door West-Europa, en zeker niet door zijn eigen partij. Zijn conclusie was dat de wereld een nieuwe ordening behoefde die in feite wetenschappelijk moest worden benaderd: het streven naar het grootst mogelijke nut voor iedereen biedt uiteindelijk de beste mogelijkheden voor een stabiel en verrijkend leven voor iedereen.”

De voorbije jaren werd de overwinning van de 'vrije markt' algemeen aanvaard. Heeft de linkerzijde nog een toekomst?

“Door de economische crisis van de kapitalistisch geïnspireerde landen, zijn de dagelijkse problemen voor de meeste mensen op de voorgrond getreden. Pas als de economie van het Westen zich écht en duurzaam herstelt, zal men zich - misschien - weer over andere problemen gaan buigen, maar voor mij blijft het een illusie want een economische versterking van het Westen zal onvermijdelijk opnieuw een verzwakking van het Zuiden met zich meebrengen. Die economische versterking zou bovendien voor nog meer milieuschade zorgen, als de industrie georiënteerd blijft zoals nu. Een economie op ecologische grondslagen is helemaal niet zo vergezocht als sommigen zouden willen doen denken. Ik ben zelf een voorstander van rood-groene regeringscoalities. Ondanks mijn scepsis vind ik dat ze in staat zouden kunnen zijn om de problemen op z'n minst aan te pakken, terwijl anderen hen omzwachtelen en toedekken.”

Uw politiek engagement heeft vaak een overheersende invloed gehad op uw schrijverschap?

“In Het dagboek van een slak heb ik onderzocht hoe gevaarlijk het is voor een schrijver om in de politieke arena te stappen. In zijn tekst of zijn gedicht kent hij geen compromissen. Hij begint aan zijn zoektocht en de taal leidt hem. Maar dan verlaat hij zijn werkvertrek en moet hij rekening houden met wat de politici 'speelruimte' noemen. Hij wordt geconfronteerd met een taal die hij niet kan veranderen. De politieke taal is een tweedehands taal, maar net daarom niet meer kneedbaar. Dàt is het echte thema van dat boek. Ik heb mezelf lange tijd in de gaten gehouden: ik stond als het ware naast mezelf wanneer ik mijn politieke redevoeringen afstak. (lacht) Alleen schrijvers kunnen dat, denk ik. Maar toch sloeg ook bij mij de 'politieke reflex' toe: wanneer mij de eerste woorden van een vraag werden gesteld, had ik de indruk dat ik de hele vraag al begrepen had. Ik had onmiddellijk een pasklaar - maar gepast vaag - antwoord in petto. Dat is een van de grootste gevaren van de politiek. Na vier jaren politieke inzet voor Willy Brandt en zijn SPD, waarin ik toch nog altijd mijn literaire arbeid als tegengewicht kon gebruiken, had ik het gevoel: nu is het genoeg geweest, als je zo verder gaat word je opgeslokt. Ik ben teruggekeerd naar de taal die ik liefheb, zodat ik De bot kon schrijven, een boek in 'oude taal'.”

Geweld is een belangrijk thema in uw literair werk.

“De journalistiek rapporteert over het geweld, de literatuur probeert het te verklaren. De Oost-Westconfrontatie is ten einde, maar we kennen nu méér zogenaamd 'kleine oorlogen' dan ooit. En ze hebben nooit eerder zulke grote gevolgen gehad. Het Westen heeft de val van de Sovjet-Unie altijd gewild, maar toen het zover was, leken we wel verlamd. We waren voorbereid op allerlei atoomoorlogen, maar toen die dreiging wegviel, kwam ons ideologische bijgeloof pas goed aan de oppervlakte: het kapitalisme heeft gezegevierd en zal nu alles goed maken! We gaan geld in het Oostblok pompen en de vrije markt installeren. Alles komt in orde! Het resultaat van dat bijgeloof? Chaos en ontreddering.

Zelfs in Duitsland, dat toch alle kansen leek te hebben om 'gered' te worden door het kapitalisme, is deze gedachtengang mislukt. Een grotere Stümperei dan de hereniging van Duitsland is niet denkbaar. Onze zogenaamde investeringen om het voormalige Oostblok op weg te helpen, waren een kapitalistische strategie van laag allooi. Geen wonder dat de Oostduitse intellectuelen die dit trucje doorhadden zoveel wrok koesterden. De gevolgen voor het oosten van dit land zijn verschrikkelijk. Honderdduizenden arbeidsplaatsen gingen verloren zonder dat er nieuwe mogelijkheden in de plaats zijn gekomen. Daarna heeft men in allerijl de Treuhand opgericht. Dat monster was een aanfluiting van de democratie: het opereerde buiten elke parlementaire controle en werd binnen de kortste tijd geïnfiltreerd door de Stasi, omdat die nog altijd ondergronds over contacten beschikte in alle lagen van de Oostduitse maatschappij.''

“Als schrijver zijn mijn denkmodellen onbegrensd, maar als burger heb ik me altijd opgeworpen als een 'gematigde sociaaldemocraat': een democratische socialist die niet gelooft aan staatsmonopolies. Het communisme was trouwens gewoon een staatskapitalisme. Ik ben voor een gecontroleerd kapitalisme dat in handen is van de basis van de bedrijven. Daarom ben ik een voorstander van de sociaal-democratische werkmodellen voor bedrijfsorganisatie en inspraak. Ik blijf dat de juiste modellen vinden, hoewel nu ook dringend de ecologie eraan toegevoegd moet worden.”

Eén van uw uitspraken luidt: als iemand vertelt heeft hij een helende functie. Wat bedoelt u daarmee?

“Ik heb dat een beetje ironisch neergeschreven. Na de publikatie van De bot heb ik nogal wat brieven gekregen van mensen die in het ziekenhuis lagen. Ze hadden hun ziekte doorstaan dankzij die onbeschaamd dikke roman waar ze gemiddeld zes weken dag in dag uit in hadden gelezen, omdat ze toch niet op konden staan. Ze schreven me dat de wondere wereld van het boek hen had geholpen om sneller beter te worden. Ik zeg nu wel dat ik ironie heb gebruikt toen ik schreef dat een verteller een helende functie heeft, maar diep in mijn hart geloof ik het nog ook. Ik heb zelf als lezer maandenlang intens gelééfd met bijvoorbeeld Tolstoj's Oorlog en Vrede. De invloed van sommige boeken is zo weldoend en verfrissend dat je na de lectuur een ander mens bent geworden. Het zou dus goed zijn voor heel wat politici als ze wat meer romans zouden lezen.”