Een blos uit een doosje en rimpels als kettinkjes

In de wachtkamer neem ik plaats tegenover een vrouw wier houding, kapsel, make-up en felrode mantelpak maar één boodschap lijken uit te zenden: zie eens hoe jong ik er nog uitzie. De ruimte onder haar kin en de rimpels die als kettinkjes rond haar hals liggen, doen vermoeden dat ze tegen de zeventig loopt.

De oorspronkelijke kleur van het haar is onder roodbruine verf weggetoverd. Boven de geëpileerde wenkbrauwen zijn boogjes getekend in hetzelfde roodbruin. De jukbeenderen dragen een blos uit een doosje. De knalrood gestifte mond, die een tikje scheef staat, zou het gezicht iets geestigs kunnen geven wanneer niet tegelijkertijd de gedachte aan een doorstane beroerte opgeroepen werd.

Ze heeft haar benen in de korte rok hoog over elkaar geslagen - als beschikte ze over de lenigheid van een zestienjarige - en zit met een onnatuurlijke rechte rug te lezen. Ondanks de dubbelfocusbril houdt ze het boek op grote afstand van haar ogen.

Hoe langer ik naar haar kijk, hoe meer het lijkt of ze haar rug met geweld recht houdt. Die hoog over elkaar geslagen benen bezorgen mij langzamerhand pijn in mijn eigen dijen. Wat zal zij 's avonds moe zijn, denk ik. Haar belangrijkste boodschap is niet dat ze er nog zo jong uitziet, maar is juist de totale ontkenning van die leeftijd.

Dan zakt de hand met het boek naar haar schoot. Haar ogen vallen dicht. De plooien van neus naar kin worden diepe kerven. De vingers verliezen de greep op het boek dat uit zichzelf begint terug te bladeren. Haar rug rondt zich, de schouders buigen naar elkaar toe, de mond trekt schever.

Bij iedere uitademing wordt ze een paar jaar ouder, alsof de laatste dertig jaren van haar leven versneld worden afgedraaid. De make-up verandert in groteske schmink, als stak zij op gruwelijke wijze de draak met zichzelf. Het opgedofte kapsel krijgt het aanzien van een pruik. Het felrood van het mantelpak kleurt haar bleke handen meedogenloos wit.