Dubbele bodem van 'Srebrenica' brak Dutchbat op

De Tweede Kamer maakt zich op voor een beoordeling van de verrichtingen van Dutchbat in Srebrenica in Bosnië. Daarbij is ook de politieke verantwoordelijkheid van minister Voorhoeve aan de orde. Wat de minister volgens A.H.J.W. van Schijndel in elk geval valt aan te rekenen, is zijn hardnekkige verdediging van de rol van de VN en van de wijsheid van de VN-politiek in Bosnië.

Dezer dagen verschijnt het lang verbeide rapport van minister Voorhoeve (defensie) over 'Srebrenica'. In Nederland ging tot dusver de discussie hierover vooral over incidenten in de sfeer van de bureaucratische afhandeling. Hopelijk zal met het rapport van de minister nu eindelijk op de hoofdzaken kunnen worden ingegaan. Er is immers nog geen begin van een antwoord op vragen als: Heeft Dutchbat voldoende weerstand geboden tijdens de Servische aanval? Waarom werd Dutchbat op het kritieke moment luchtsteun onthouden? Hoe is Nederland eigenlijk in Srebrenica verzeild geraakt? En: Hoever strekt in deze kwestie de politieke verantwoordelijkheid van minister Voorhoeve?

De VN-resoluties verklaren UNPROFOR bevoegd alle noodzakelijke middelen te gebruiken ter bescherming van de veilige gebieden, inclusief militair geweld. De vraag rijst dan of de officieren en manschappen van Dutchbat tijdens de Servische opmars de discipline en moed hebben getoond die van Nederlandse militairen mag worden verwacht.

Er zijn berichten die wijzen op een ineenstorting van de militaire tucht op de zogeheten 'observatieposten' (OP's). Als een soort militaire politie bevonden de moslim-strijders zich achter de Nederlandse stellingen om terugtrekking uit de OP's te voorkomen. Is het waar dat de OP-commandanten toen veel te snel bereid zijn geweest hun manschappen te laten ontwapenen en afvoeren door de Serviërs (The Independent, 21-9-1995)? Eén OP-commandant zou zich zelfs door de Serviërs hebben laten gebruiken als tolk bij de inname van nog twee andere posten (NRC Handelsblad, 26-8-1995). Waarom is er geen of amper vuur afgegeven en waarom werden bedreigde posten niet versterkt? Waren de zwaarste anti-tankwapens nu wel, niet of slechts gedeeltelijk inzetbaar (The Independent, 21-9-1995)? Gold er een 'stay put'-bevel om onder alle omstandigheden in de observatieposten te blijven (NRC Handelsblad, 19-7-1995)? Zoniet, was zo'n instructie niet verstandig geweest, bij voorbeeld ter voorkoming van gijzelneming? En is voor elke zogeheten 'terugtrekking via Servisch gebied' vooraf toestemming gegeven door de commandant van Dutchbat?

Het antwoord op al deze vragen kan niet in het vage blijven. Er moet precies worden beschreven wat er nu eigenlijk is gebeurd. Dit betekent dat de Tweede Kamer in elk geval geen genoegen zou mogen nemen met de enkele mededeling dat 'niet is gebleken' van vergrijpen tegen de militaire tucht.

Bij een beoordeling van de verrichtingen van Dutchbat moet uiteraard rekening worden gehouden met de militaire krachtsverhoudingen. Achteraf heeft minister Voorhoeve bij herhaling gezegd dat Dutchbat eigenlijk niet meer was dan een alarminstallatie. Hij haakte daarmee in op de indruk die inmiddels in Nederland heeft postgevat dat Dutchbat met pijl en boog en een gebroken geweertje de Bosnische rimboe is ingestuurd. Die indruk is onjuist, hoewel de bewapening zeker beter had behoren te zijn. Niettemin houdt minister Voorhoeve vol dat de enclave voor Dutchbat onverdedigbaar was.

Maar het verhaal van de minister is op z'n minst onvolledig. Die militaire verdedigbaarheid is namelijk nooit als een puur Nederlandse zaak beschouwd. Van meet af aan vormde de luchtvloot van de NAVO het sluitstuk van de verdediging. De door minister Voorhoeve nu gepostuleerde absolute militaire onverdedigbaarheid overtuigt dan ook niet.

Wèl is het zo dat dat luchtwapen rond Srebrenica nooit serieus is ingezet. Toen het echt heet werd liet het VN-opperbevel Dutchbat namelijk als een baksteen vallen. In de week voor de val werd luchtsteun tot vier keer toe geweigerd. Gezegd werd dat delicate onderhandelingen van EU-bemiddelaar Bildt met president Milosevic anders in gevaar zouden worden gebracht. Dit klinkt alsof Nederland met een kluitje in het riet is gestuurd, want de bemiddelingspogingen van de Europese Unie in ex-Joegoslavië hebben nooit veel voorgesteld.

Er wordt nu gezegd dat VN-opperbevelhebber Janvier dubbel spel speelde: in zijn berekeningen diende de val van Srebrenica het 'hogere doel' van een in etnisch opzicht overzichtelijke landkaart. Het overeind houden van Srebrenica zou bovendien het aanbieden van potentiële gijzelaars hebben betekend. De waarheid is echter dat, als de Fransen of de Britten in Srebrenica hadden gezeten, men het nooit op een smadelijke val van de enclave had laten aankomen - dan was er wel naar andere oplossingen gezocht.

Minister Voorhoeve heeft zich in die dagen intensief met Srebrenica beziggehouden. Hij had dat niet hoeven doen, want formeel viel Dutchbat buiten de Nederlandse militaire bevelstructuur. Klaarblijkelijk gaf voor hem de doorslag dat de VN-instanties in dit soort situaties rekening plegen te houden met de opvattingen van het troepen leverende land. Maar wat heeft de minister eigenlijk gedaan? Hoe is het mogelijk dat de Nederlandse bataljoncommandant dag in dag uit nul op het rekest kreeg bij zijn smeekbeden om luchtsteun? Heeft minister Voorhoeve wel beseft dat er misschien politieke spelletjes werden gespeeld? In de avond van 10 juli zei de minister dat luchtbombardementen “nu onvermijdelijk waren geworden”; heeft hij toen van de VN-bevelhebber spijkerharde garanties over tijdstip en omvang van het bombardement verlangd? Had de minister toen, zonodig met steun van premier Kok, niet alles uit de kast moeten halen om de benodigde luchtsteun te verzekeren?

In elk geval is de minister verantwoordelijk voor één interventie die het Nederlandse aanzien grote schade heeft berokkend. Om 14.43 uur was er een luchtaanval door welgeteld vier Nederlandse F16's. Voor generaal Mladic was dit het sein overste Karremans te bellen met het dreigement de 30 gijzelaars te doden en Srebrenica en Potocari met de grond gelijk te maken. Toen minister Voorhoeve dit hoorde zwichtte hij meteen. Hij zocht contact met het VN-hoofdkwartier om de volgende aanvalsgolf van Amerikaanse bommenwerpers af te gelasten. Duidelijk is dat deze beslissing betekende dat het Veilige Gebied zonder verdere tegenstand aan de Serviërs werd gelaten. Kort daarop vluchtte de Dutchbat-compagnie in Srebrenica naar het kampement in Potocari.

Minister Voorhoeve moet verantwoording afleggen voor zijn betrokkenheid bij de afgelasting van de luchtaanval. Hij stelt dat, als dat niet was gebeurd, we het in Nederland niet zouden hebben gehad over faxen en fotorolletjes, maar over honderden niet te troosten familieleden; Srebenica zou even snel zijn gevallen, maar dan na een afgrijselijk bloedbad.

Dit zijn argumenten die hard aankomen in het o zo vredelievende Nederland. En welk Kamerlid durft dan eigenlijk nog met de minister van mening te verschillen? Maar het betoog van de minister is niet overtuigend. De minister moet hebben beseft dat generaal Mladic de dertig gijzelaars zag als Nederlands zwakste punt. Vandaar Mladic dreigement hen te doden. Maar Mladic wist ook dat de zaak zou escaleren als hij zijn dreigement ten uitvoer zou brengen. Escalatie betekent het risico van massale luchtaanvallen, ook buiten het operatiegebied Srebrenica. Evenzogoed had Mladic het hier niet op aan willen laten komen. Dan had hij zijn aandacht misschien verlegd naar een bescheidener doel, zoals de enclave Zepa. Generaal Mladic pleegt tenslotte te kijken hoever hij kan gaan, om het bij een teveel aan tegenstand elders te zoeken.

Hoe dit ook zij, de beslissing van minister Voorhoeve betekende dat hij het leven van Nederlandse beroepsmilitairen liet prevaleren boven de bescherming van de burgerbevolking - en dàt op een moment dat de Serviërs nog geen druppel Nederlands bloed hadden vergoten. De zorg om het leven van de Nederlandse militairen is begrijpelijk. Maar wie als beroepsmilitair naar Bosnië gaat aanvaardt de risico's van die post. Het motief voor de beslissing van minister Voorhoeve was dan ook moreel onaanvaardbaar.

De minister is nog voor een tweede anker gaan liggen. Hij zegt dat het aangaan van het gevecht zinloos was, omdat vele moslimstrijders al op 10 juli - één dag voor de val - het hazepad hadden gekozen. Dat laatste doet echter niet terzake. Dutchbat had immers de plicht de mensen in de enclave te beschermen. Het beklag over het gebrek aan vechtlust van de slecht bewapende moslim-strijders doet overigens vreemd aan. Het is ook niet terecht. Na het weinig indrukwekkende optreden bij de observatieposten hadden de moslim-strijders immers alle reden te vrezen dat Dutchbat het gevecht zou schuwen.

Dat het met de Nederlandse vastberadenheid inderdaad niet goed zat, blijkt uit het dagboek van defensiechefstaf Van den Breemen in NRC Handelsblad (22 juli 1995). Hij noteert op dinsdag 11 juli, enkele uren voor de val van de enclave, dat er het bericht komt, dat er bij de blocking position zou worden gevochten: “De conclusie: we bevinden ons in een 'no win' situatie met grote risico's. De veiligheid van onze mensen moet daarin voor gaan. Dit betekent dat we zeer serieus rekening moeten houden met het terugtrekken van Dutchbat”. Nog diezelfde middag viel de enclave. Wat er daarna gebeurde is bekend. De Nederlandse militairen werden als een soort Kapo's gedwongen de wacht te houden tijdens het scheiden van mannen, vrouwen, kinderen en bejaarden.

Minister Van Mierlo heeft beloofd dat de regering zich zal beraden op de lessen die uit de gebeurtenissen in Srebrenica moeten worden getrokken. Aan de orde is daarbij de vraag of eind 1993 niet veel te snel is bewilligd in het verzoek van de VN om troepen te leveren. Toen werd gezegd dat Nederland de plicht heeft een bijdrage te leveren aan het onder VN-vlag in ex-Joegoslavië bevorderen van de internationale rechtsorde en het bieden van humanitaire hulp.

Als we het echter hebben over de internationale rechtsorde zal moeten worden erkend dat de uitzendingsbeslissing van eind 1993 een grote fout is geweest. Niet zozeer vanwege de militair precaire situatie van die post, maar omdat Nederlandse militairen werden ingezet ter uitvoering van een cynische en verwerpelijke politiek.

De onder de vlag van de VN gevoerde humanitaire politiek was namelijk niets anders dan een façade om het wapenembargo tegen Bosnië te handhaven. De Bosniërs werd zo het recht op zelfverdediging ontzegd, hoewel dit recht in artikel 51 van het VN-Handvest uitdrukkelijk is erkend als uitzondering op het volkenrechtelijke geweldsverbod. En bovendien moest etnische segregatie worden aanvaard als basis voor een vredesregeling. Dat laatste was nu eenmaal 'realistisch', terwijl het bovendien beantwoordde aan een vage machtspolitieke aanspraak die Servië zou hebben op een rol als stabilisator van de regio.

Deze ogenschijnlijke Realpolitik komt uit de koker van amateurs van het Britse Foreign Office. In wezen is dit beleid nog verwerpelijker dan Chamberlains appeasement-politiek. In 1938 was de Duitse herbewapening immers al jaren aan de gang èn lagen de slachtingen van de Eerste Wereldoorlog nog vers in het geheugen. Door echter de Bosniërs de wapens te onthouden die zij nodig hebben, ziet een legertje van hooguit 80.000 Bosnische Serviërs nu al jarenlang kans kat en muis te spelen met de Westerse wereld.

Voor de Nederlandse diplomatie had de uitzichtloosheid van deze politiek eind 1993 allang duidelijk moeten zijn. Immers, in mei 1993 was het op deze politiek gebaseerde Vance-Owen-plan definitief mislukt, na de afwijzing ervan door de regering-Clinton.

Op dat plan was vooral door Nederland zware kritiek geuit (wat volgens EU-bemiddelaar Owen een belangrijke rol speelde bij de Amerikaanse afwijzing). In dat licht had Nederland een uitgelezen argument om legering in Srebrenica af te wijzen. De door de VN ingstelde enclaves waren tenslotte een schoolvoorbeeld van pappen en nathouden en van wat er verder mis is met het Bosnië-beleid van de VN.

Maar ja, Nederland had eerder inzake Bosnië ferme taal geuit, en kennelijk wenste Den Haag omwille van de lieve vrede op het diplomatieke parket nu niet al te moeilijk te doen. Maar door in Srebrenica te gaan zitten kreeg Nederland een pervers belang bij het gemodder in Bosnië. Onze kwetsbare positie in de enclave betekende immers dat Nederland niet meer zo snel kon pleiten voor een steviger optreden en opheffing van het wapenembargo. De Britten en de Fransen kwam dat natuurlijk goed uit.

Wat betekent 'Srebrenica' nu voor de positie van minister Voorhoeve? Naar Nederlands staatsrecht is de minister niet alleen verantwoordelijk voor hetgeen hij zelf deed of naliet. Ook fouten van zijn ambtenaren worden hem toegerekend. En dan geldt dat als het resultaat tegenvalt hij de laan uit gaat, hoe onberispelijk zijn inspanning en kundigheid ook mogen zijn geweest.

Dat is de theorie, maar de politieke praktijk is soms lankmoedig. In de Tweede Kamer is de minister al te kennen gegeven dat de incidenten bij de nasleep van Srebrenica (de faxen en de fotorolletjes) niet dermate ernstig waren dat hij moet aftreden. Het oordeel over het opereren van minister Voorhoeve in de weken en dagen voor de Servische aanval moet worden opgeschort totdat zijn rapport is verschenen.

Wat minister Voorhoeve in elk geval aan te rekenen valt, is zijn hardnekkige verdediging van de rol van de VN en de wijsheid van de in Bosnië door de VN gevoerde politiek. Zo betoogde hij dat het van jaar tot jaar afnemen van de aantallen slachtoffers in ex-Joegoslavië te danken was aan de aanwezigheid van de VN-troepen. Een vreemde redenering, want die afname was een direct gevolg van het door de Bosnische Serviërs bereiken van hun oorlogsdoelen. Er was nauwelijks meer gebied over om etnisch te zuiveren.

In Nederland wordt terecht sterk de nadruk gelegd op onze medeverantwoordelijkheid voor de bevordering van de internationale rechtsorde. De VN worden daarbij veelal gezien als hoedster van die wereldrechtsorde. Maar het VN-beleid dat uiteindelijk uit de bus komt is als regel resultante van de belangen en waarden van de landen die in de VN ten aanzien van een bepaald dossier de boventoon voeren. Zo school in het Brits-Frans getoonzette, onder de vlag van de VN gevoerde Joegoslavië-beleid een bedekte erkenning dat geweld loont om grenswijzigingen af te dwingen.

Wellicht moet de Nederlandse diplomatie dus vooral een beter gevoel voor de dubbele bodem ontwikkelen. In ex-Joegoslavië maakte Nederland zich namelijk dienstbaar aan een koers die principieel niet de zijne is. En als minister Voorhoeve van de Tweede Kamer mag blijven, moet hij zich in ieder geval het woord van de VVD-leider Bolkestein in de oren knopen: Wie zich in de internationale politiek dienstbaar opstelt, krijgt meestal een trap.

    • Mr. A.H.J.W. van Schijndel