De vertraagde motoriek van W.F. Hermans; Een huid van tijdloosheid

Voorstelling: Holland Dance Festival/Festival in de Branding. Hermans' Hand van Dick Raaijmakers. Regie: Paul Koek; spel: Hans Dagelet, Jaap Flier, Dennis Rudge. Machinerie: Paul Beuk, Lex Cluwen, Broes Terweij, Marijn van Raak. Gezien 19/10 Theater aan het Spui, Dan Haag. Aldaar t/m 21/10. 8 t/m 26/11 Gasfabriek, Haarlem.

Toen de schrijver Willem Frederik Hermans dit voorjaar overleed, werd er aanvankelijk meer aandacht besteed aan zijn persoon dan aan zijn literaire oeuvre. Degenen die zich daar destijds over opwonden, worden misschien opnieuw boos bij het zien van Hermans' Hand van de muziektheatermaker Dick Raaijmakers. Want de voorstelling ontleent veel van zijn charme aan wat je het cliché Hermans zou kunnen noemen: zijn wat harkerige motoriek, zijn enthousiast overslaande stem wanneer hij vond dat hij bij het hoogtepunt in zijn betoog aankwam, en zijn onnavolgbare hoestbuien.

Het wordt allemaal nog eens overgedaan door Hans Dagelet, die Hermans' bewegingen verbazingwekkend knap imiteert. De stem van de schrijver staat op de band en wordt door Dagelet geplaybackt. Hij doet dat zo goed, dat Raaijmackers aan de drie titels van de verschillende aktes (Hermans loopt - Hermans zit - Hermans bukt) nog een vierde had kunnen toevoegen: Hermans leeft, even. Maar in Hermans' Hand gaat het uiteindelijk toch vooral om zijn dood.

W.F. Hermans, die gefascineerd was door techniek, verzamelde schrijfmachines. Dick Raaijmakers geeft die verzamelwoede een belangrijke plaats in Hermans' Hand. Uitgangspunt is de stelling dat het 'baatzuchtig vergaren van voorwerpen' en het 'onbaatzuchtig' scheppen van kunst elkaars tegenovergestelde zouden zijn. Dat valt natuurlijk te betwijfelen, en ook dat kunst per definitie onbaatzuchtig is. Hermans zegt dan ook op een gegeven moment, tegen een eveneens blaybackende interviewer die daar wel in gelooft: “Je poetst als verzamelaar een verzameling om het geheel een prachtige huid van tijdloosheid te geven. Verzamelen, meneer, is kunst.”

In Hermans loopt en Hermans bukt worden de bewegingen van de schrijver en zijn begeleider (Dennis Rudge) daarom tot het uiterste vertraagd. In de eerste akte 'lopen' zij samen over een soort stalen catwalk. Ze doen geen stap voorwaarts, maar leggen in uiterste slow motion de anatomie van een stadswandeling bloot. Hermans zit, de enige akte dus die niet over beweging gaat, wordt bijna helemaal op normale snelheid uitgevoerd. Hermans praat en hoest tegen zijn interviewer, met zijn hand in een mitella. Dat kwam gewoon door een val in de metro, zegt hij en helemaal niet als straf voor zijn verzamelwoede, zoals de interviewer beweert. Alleen na zijn uitspraak over de huid van tijdloosheid wordt de scène even stilgezet, en frame voor frame, als op een videoband, herhaald.

Het is de opmaat naar Hermans bukt, waar de stoommachine op het podium die steeds al de prachtigste geluiden voortbracht, zijn functie krijgt. Terwijl we het rumoer van een rommelmarkt horen, zetten vijf assistenten in zwarte monnikspijen een vervaarlijk ogende installatie klaar. In het verlengde daarvan staat een antieke schrijfmachine. De danser Jaap Flier, in de jaren '50 stersolist in onder meer Het Zwanenmeer, maakt zich op om gekleed in een roze tutu en enorme engelenvleugels een hoog platform te bestijgen. Het siert Flier dat hij zich niet te goed voelde om zich hiertoe te laten verleiden, maar helaas is zijn rol in de voorstelling de enige misplaatste. Hij krijgt nauwelijks de gelegenheid om als danser iets wezenlijks aan de idee van beweging en vertraging toe te voegen, en is te opvallend de voorbode van wat we al aan zagen komen.

Want de bedrijvigheid op het toneel is onheilspellend genoeg om een noodlot aan te kondigen. Alleen de schrijver, die begerig rond de schrijfmachine drentelt, weet nog van niks. Hij neemt in de installatie plaats en dan begint, met uitgestrekte hand, een tergend langzame val in de richting van de schrijfmachine. Dank zij de techniek van de kantelende installatie kan de beweging bovenmenselijk worden vertraagd tot bijna stilstand. Het is, minuten lang, de ultieme sterfscène, waarin de huid van tijdloosheid als gegoten zit. “Verzamelen brengt je regelrecht in de hemel”, zei Hermans. Raaijmakers laat dat schitterend zien.

    • Margriet Oostveen