De natuur is een dwingeland

Vanaf dat ze een jaar of zeven zijn tot zo ongeveer hun twaalfde is het zelfvertrouwen van jongens en meisjes, hun gevoel van competentie en eigenwaarde, grotendeels gebaseerd op wat zij kunnen en kennen. Hoe goed ze kunnen meekomen op school, wat ze allemaal weten van het leven in de natuur, hoe behendig zij zijn in een bepaalde sport, wat zij verzameld hebben voor hun hobby, hoe makkelijk zij met leeftijdgenoten kunnen omgaan, enzovoort. Maar dan, met de intrede van de puberteit, scheiden zich hun wegen. Jongens gaan rechtdoor verder op dezelfde weg, meisjes buigen af. Voor het zelfvertrouwen van meisjes zijn niet langer de eigen kundigheden en vaardigheden de belangrijkste bron. Deze moeten hun eerste plaats afstaan aan de aantrekkelijkheid die een meisje heeft in jongens- en mannenogen. Een verandering die veel onzekerheid kan veroorzaken, want dan heb je niet langer greep op je gevoel van eigenwaarde door wat je daar zelf door prestaties aan kunt bijdragen, maar moet je afwachten en kun je slechts hopen op een gunstige beoordeling.

En dat is dan al de tweede keer in haar jonge leven dat een meisje een fundamentele emotionele omwenteling moet maken, die een jongen bespaard blijft. Als kinderen heel klein zijn, is voor zoontjes en dochtertjes degene aan wie zij zich het sterkst hechten meestal een vrouw, hun moeder, hun eerste grote liefde. De meeste jongens kunnen gaandeweg hun seksuele ontwikkeling die oriëntatie op vrouwen blijven volgen, meisjes niet, zij moeten zich tot mannen wenden.

Al met al verloopt de ontwikkeling van jongens in emotioneel opzicht dus rechtlijniger dan die van meisjes en het is niet verwonderlijk dat zich bij meisjes meer haperingen voordoen - meer labiele buien, meer twijfels aan zichzelf, meer getob over het eigen lichaam - en dat volwassen vrouwen vaker met emotionele problemen te kampen hebben.

Aan de vroegkinderlijke heroriëntatie die van meisjes wordt gevraagd - van een vrouw naar een man als liefdesobject - is weinig te veranderen, tenzij ouders een volledig vergelijkbare verzorgingsrelatie met hun kind kunnen opbouwen. Voor de meeste paren is dat, gezien hun leefsituatie, onmogelijk. En bij degenen die zo'n gelijkheid zoveel mogelijk benaderen, zie je maar al te vaak dat het kleintje desondanks toch het meest naar de moeder trekt. En dat is nog te begrijpen ook. Het kind is uit haar geboren en door haar gezoogd, en dat geeft toch een andere gehechtheid. De natuur is een dwingeland.

Maar die tweede ommezwaai dan, die rond de intrede van de puberteit, is die niet te voorkomen door ook meisjes op hun capaciteiten te blijven aanspreken? Het wordt op allerlei manieren geprobeerd, maar het werkt niet. De arm van de natuur reikt te ver.

Het is pas achteraf, in de volwassenheid, dat veel vrouwen van nu helder voor ogen staat hoe of het toen in hun meisjesjaren is gegaan. Soms zijn ze verbaasd, soms kwaad. Allerlei moderne schrijfsters hebben dit thema verwoord, zoals Doris Lessing in The Summer before the Dark. “Kate Brown, forty-five-year-old mother of four” staat te kijken bij flats in aanbouw en merkt dat de bouwvakkers haar geen blik waardig keuren. Ze gaat verder, trekt haar jasje uit, zodat haar strakke jurk zichtbaar wordt en loopt heupwiegend terug. “A storm of whistles, calls, invitations.” En dan komt de woede, want ze beseft: “This is what you have been doing for years and years and years.”

Misschien dat jonge vrouwen van nu het eerder van zichzelf in de gaten hebben, maar voor meisjes is het nog een natuurwet. Soms denk ik dat het te vergelijken is met de hopeloze verliefdheden op de totaal verkeerde jongens waar je je dochters ook niet voor kunt behoeden. Je ziet het ongeluk aankomen, maar waarschuwen heeft geen zin.

Ook op school is de waarderende blik van een leraar nog altijd van wezenlijker betekenis dan het hoge cijfer dat hij voor een toets geeft. Ik denk dat er wat dat betreft weinig is veranderd sinds ik op school zat en er met name één leraar was met open oog en vrijpostige hand voor ontluikende vrouwelijkheid bij meisjes in zijn klas. Zolang hij je nog niet had opgemerkt en aangeraakt, was je in zijn ogen kennelijk nog een kind. En dat was niet leuk. Hij was een toetssteen voor hoe het stond met je eigen seksuele aantrekkelijkheid en die van je vriendinnen. Door zijn manier van kijken en doen ontstond een hiërarchie met de kinderlijke meisjes onderaan en de sexy nymfen on top. Een hiërarchie die door ons feilloos werd aangevoeld. Het moment dat hij voor het eerst commentaar had op je uiterlijk, goedkeurend naar je figuur keek en een arm om je heen sloeg, was vol gemengde gevoelens. Een verwarrend gevecht tussen uitlokken, terugdeinzen en tevreden glimlachen omdat je er eindelijk bij hoorde.

Wat misschien is veranderd, is het gevaar dat een leraar van nu met zulk gedrag zou lopen. De regels zijn wat dat betreft behoorlijk aangescherpt. Ongewenste intimiteiten op school worden afgestraft en in principe ben ik het daar mee eens. Maar ik weet niet of het juist is van 'ongewenst' te spreken. Daarvoor is het allemaal veel te dubbel, een mengeling van behagend toenaderen en nuffig afweren. Niemand heeft dat mooier beschreven dan Rob Knoppert in zijn rubriek Het vak. Een citaat uit een column van vorig jaar: “Op de hoek staat zoals altijd Angelique. Ze schenkt me een stralende lach en zwaait even. Angelique heeft zulke zware wimpers dat deze haar oogleden voortdurend in geloken stand trekken. Straks, als ze het derde uur het lokaal binnenkomt, gooit ze me nog een keer zo'n glimlach toe. [..] Mannelijke leraren worden gebruikt als oefenmateriaal, houten oefenmateriaal. En we zijn niet van hout. Er is een streep, vastgelegd door ethiek, religie, fatsoen, normbesef en nog een heleboel regels die goed voor de mens zijn, die we nooit overschrijden. Nou ja, niet vaak. Denk ik. Aan de andere kant van de streep waakt de engel der wrake: de collega belast met ongewenste intimiteiten en dreigt in het ergste geval gevangenisstraf.”

Misschien moeten leerlingen zelf iemand aanstellen voor de gewenste intimiteiten?

    • Rita Kohnstamm