De mythe van de individualisering ontkracht; Het vergeten gezin

Het gezinsleven begint tegenwoordig wat later, maar is bepaald springlevend. Ook in 2010 zal naar verwachting nog bijna drie kwart van de Nederlandse volwassenen in een gezin leven. Moet er dus ook een 'minister voor familiezaken' komen, zoals het CDA wil? 'De politiek heeft de meest populaire samenlevingsvorm volledig gemarginaliseerd.' Het gezin in de jaren negentig.

“Ik ben Timo Vogels”, zegt de blonde knaap van tweeënhalf en hij geeft de bezoekster kordaat een hand. Moeder Kitty glimlacht trots. Timo mag dan net per ongeluk in zijn broek hebben geplast, zijn hoffelijke optreden maakt alles goed. Hij gaat rond met de koektrommel en neemt zijn pasgeboren zusje Marleen even op schoot wanneer Kitty naar haar koffie reikt. Pas als het echt saai wordt, zegt Timo zachtjes: “Ik wil niet meer.” Dan rent hij naar zijn spelcomputer.

Ronald en Kitty Vogels bewonen met hun twee kinderen sinds juni een ruim benedenhuis in de Haagse bomenbuurt. De muren zijn van de zomer grof gestukt, er is vloerverwarming aangelegd onder het parket en de badkamer komt rechtstreeks uit de toonzalen van Ikea. Boven de grijze geplastificeerde eethoek in de woonkamer bungelen tientallen geboortewensen en achter de drie kamgaren tweezitters is in het kader van de gezinsuitbreiding Timo's kinderbox weer opgesteld. Baby Marleen kijkt gebiologeerd naar het Playscool-mobiel dat boven haar hoofd draait. Op haar orthodontisch verantwoorde speen staat I ß6 Mama.

Ronald en Kitty kregen in 1988 verkering. Ronald werkte toen net als kassier bij de ABN-bank aan de Alphons Diepenbrocklaan, terwijl Kitty in Haarlem haar opleiding verzorgende en dienstverlenende beroepen had afgerond. In 1989 betrokken ze een bescheiden appartement op een steenworp afstand van Ronalds ouderlijk huis. Kitty werd fulltime leidster op een kinderdagverblijf en haar verloofde maakte promotie tot personal banking-adviseur. De bruiloft was 'een kwestie van spaarcenten'. In mei 1991 trouwden ze. Vanaf dat moment wist Kitty precies wat ze wilde: een traditioneel gezinnetje.

De familie Vogels bezit alle kenmerken van de gemiddelde leefeenheid met kinderen' zoals de Nederlandse Gezinsraad (NGR) die vorig jaar omschreef. Moeder heeft een MBO-opleiding gevolgd, vader alleen MAVO, maar hij doet bijspijkercursussen. Ze zijn op hun 26ste - beide na een mislukte relatie - met elkaar gaan samenwonen en trouwden twee jaar later. Hun leven voltrekt zich volgens het zogenoemde 'rationele investeringspatroon', dat de Wageningse gezinssocioloog Kees de Hoog onlangs in een redevoering over de marginalisering van het gezin aan het einde van de twintigste eeuw introduceerde. Dat is een soort gezinsexamenperiode, een tussenfase waarin de jeugdige proefpersonen veel geld en energie steken in hun opleiding, werk en levenspartner.

Hun eerste kind werd in 1993 geboren. Kitty besloot drie dagen te gaan werken. Voor Ronald zat dat er niet in, omdat zijn loopbaanperspectief dan in gevaar kwam. Over vijf jaar wil hij zich namelijk toeleggen op beleggingen en zakelijke kredieten. Op de kop af twee jaar en acht maanden na de geboorte van Timo kwam Marleen. Omdat Kitty in de kinderopvang zit, kan ze tijdens kantooruren gewoon door blijven moederen. De kids - zoals kinderen heten in een modern gezin - gaan met haar mee naar crèche De Kindertil.

De Vogels hebben een modaal inkomen (de categorie tussen de veertig- en tachtigduizend bruto per jaar). Ze hebben tijdens hun samenwoonperiode zo'n twintigduizend gulden gespaard en verkeren nu nog in de consumptieve fase. “We leven vrij ruim”, zegt Kitty. “Op Kijkduin eten we wel eens onverwachts een patatje en we hebben alle electrische huishoudapparaten die je maar kunt verzinnen. Dat konden mijn ouders zich niet permitteren.” Als Marleen wat ouder is en er misschien een derde kind volgt - wat Kitty betreft, en zo denkt dertig procent van de moeders, mogen er nog wel een paar kinderen komen - wordt het huishoudbudget krapper en belanden Ronald en Kitty definitief in de gezinsfase. Niet dat ze dan elk dubbeltje om moeten draaien, maar Nikes van 300 gulden zullen er niet meer bij zijn.

Twaalf miljoen Nederlanders - tachtig procent van de bevolking - brengen hun leven door in een leefeenheid. Acht miljoen in een twee-oudergezin, één miljoen in een eenoudergezin, drie miljoen Nederlanders vormen een paar. De rest leeft alleen, of met broers en zussen in een restgezin. Veertig procent van de volwassenen in een gezinshuishouden is getrouwd, 33 procent woont samen of is alleenstaand. Het Centraal Bureau voor de Statistiek verwacht dat in 2010 nog steeds 72 procent (een procent minder dan nu) van de volwassenen zijn leven in gezelschap van familieleden doorbrengt. Slechts een op de zes gezinnen met kinderen valt uit elkaar, dat is 16 procent. Bij de overige 84 procent blijft het gezin gewoon stabiel. Het bekende gegeven dat een op de drie huwelijken strandt is enigszins misleidend. Het aantal scheidingen met kinderen is kleiner, 1 op de 6. Bovendien is er sprake van dubbeltellingen: mensen die vaker scheiden worden steeds meegerekend. Van gezinnen met kinderen is na vijf jaar nog meer dan 90 procent intact.

Slechts enkele tienduizenden kinderen groeien op met een BOM-moeder, een verloofde homoseksueel of een alleenstaande pleegouder. Volgens de Gezinsraad daalt het aantal eenoudergezinnen sinds 1930 alleen maar. Bovendien kent deze samenlevingsvorm een levensduur van gemiddeld vijf jaar, totdat er een nieuwe partner ten tonele verschijnt. In de gloriedagen van de woongroep leefden ongeveer vijftigduizend Nederlanders in tienduizend eenheden. Slechts in een dertigtal groepen liepen ook kinderen rond.

Mythe

Het meest recente relationele fenomeen - inmiddels overigens alweer ontmaskerd - is de dinky (double income no kids): het jonge carrièreduo dat voor hun 25ste al een ton zou verdienen. Vorige maand toonde het CBS aan dat deze tweeverdieners in de praktijk samen slechts zestienduizend gulden per jaar meer te besteden hebben dan de gemiddelde alleenverdiener. De helft van dat bedrag wordt keurig op de bank gezet.

Dat Nederland individualiseert is ook een mythe. Het aantal alleenstaanden is volgens het CBS toegenomen van 9 procent van de huishoudens in 1947 tot 31 procent in 1994. Dat is inderdaad een forse stijging en een van de redenen waarom het paarse kabinet een verregaand individualiseringsbeleid voert. Maar als je die groep van weduwen en singles nader beschouwt, blijkt tenminste een derde zich voor te bereiden op de moderne variant van het huwelijk zoals we dat in de jaren vijftig kenden. Wie in die tijd rechtstreeks uit het ouderlijk huis trouwde, woont nu tijdelijk alleen op kamers.

Peter Cuyvers, onderzoeker bij de Nederlandse Gezinsraad, noemt de ingewikkelde levensloop van huisverlater tot gezinsstichter het 'gezindividuo', een samentrekking van gezin, individu en duo. “Deze pluriforme fase begint bij meisjes gemiddeld op hun 23ste en bij jongens een jaar later. Het is helemaal niet vanzelfsprekend meer dat meisjes gaan samenwonen met degene door wie ze zijn ontmaagd. Ze kijken wat rond, proberen een verkering en rijden samen op de fiets, maar nog zonder kinderzitje. Voor vrijwel iedereen zit tussen de individuele- en de gezinsfase een periode van een paar jaar waarin hij samenleeft met een partner zonder kinderen. Pas als de keuze bevalt en het levenspad is uitgestippeld, begint hij aan een gezinsleven. Intussen blijft hij de rollen vervullen van individu, ideale partner en liefhebbende vader. Die wisselende posities, waarvan de pater familias vroeger geen last had, zetten hem onder druk.”

Het Nederlandse gezin lijkt misschien niet meer zo op dat uit de Bona-reclame of op het Libelle-viertal Jan, Jans en de kinderen, maar het bestaat nog wel degelijk. CDA-fractievoorzitter Heerma betoogde onlangs met een wat kromme beeldspraak dat ons beeld van het gezin nog te zeer is 'overgoten met spruitjeslucht'. Volgens gezinssocioloog Kees de Hoog heeft de politiek de meest populaire samenlevingsvorm volledig gemarginaliseerd. Het voormalige ministerie van WVC verving eind jaren tachtig de afdeling gezinsaangelegenheden door een sectie maatschappelijke participatie. Het gezin werd een diffuse targetgroep en verdween bij gebrek aan een gezinslobby en met instemming van de vrouwenbeweging - die eindelijk af dacht te zijn van het geharnaste rollenpatroon - van de agenda.

Gezinspolitiek

“De Haagse marginalisering van het gezin heeft ertoe geleid”, concludeert De Hoog “dat er geen sprake meer is van een consistent of coherent gezinsbeleid. Werk en gezin is, vooral voor vrouwen, moeilijk te combineren. Zorgverlening door en aan gezinsleden en vrijwilligerswerk kunnen in de knel komen. Een inkomenspolitiek voor gezinnen is slechts zeer ten dele aanwezig. Zorgverlof ontbreekt, kinderopvang is kwalitatief en kwantitatief onvoldoende. De huisvrouw is vergeten. Het is noodzakelijk dat politici gaan inzien dat het gezin niet op sterven na dood is en dat het geen concurrent is van andere leefvormen.”

Dat leek de afgelopen weken het geval. Heerma had tijdens de Algemene Beschouwingen nog maar net het voorstel gedaan voor een speciale minister voor familie- en jeugdzaken als antwoord op het individualistische kabinetsbeleid, of VVD-leider Bolkestein pleitte ook voor burgerzin en een moderne gezinspolitiek. Diezelfde dag vroeg minister Sorgdrager van Justitie zich af of bijstandsmoeders met kinderen ouder dan vijf jaar wel gedwongen moeten worden om te solliciteren, terwijl dat kabinetsvoorstel eerder dit jaar al door beide kamers en de D66-fractie was goedgekeurd. CDA-kamerlid Hillen sprak vervolgens in deze krant zijn bezorgdheid uit over uiteenvallende binnensteden met hun 'zorgelijke gezinssituatie' en Heerma repte nog eens over het handhaven en overdragen van 'een essentieel stelsel van waarden en normen'.

Toen Ben (41) en Mayke (38) Kuijpers besloten om kinderen te krijgen, waren ze al zeven jaar getrouwd. Ze werkten allebei. Ben fulltime op de afdeling bouw- en woningtoezicht van de gemeente Tilburg en Mayke twintig uur als hoofd huishouding op een scholengemeenschap. In de avonduren haalde ze haar VWO-diploma. Ben wilde aanvankelijk geen kinderen vanwege zijn sombere visie op de wereld. Mayke was er nog niet aan toe. Zolang er nog geen rust was in hun eigen leven, vonden ze, konden ze er maar beter niet aan beginnen.

In 1985 kwam Liz en twee jaar later Noor. Ben leverde een halve werkdag in -'ik heb nooit de ambitie gehad om carrière te maken' - en Mayke verruilde haar baan voor een praktijkdocentschap huishoudkunde. Vier jaar geleden was ze voor de derde keer in verwachting. Liz en Noor vroegen met nadruk aan de wensboom in het sprookjespark Land van Ooit of het deze keer een jongetje kon worden. Hun wens werd niet verhoord, want een maand later werd Cleo geboren. In wensbomen geloven ze nu niet meer.

Huisregels

Met de kinderen wordt niet gesold. Duidelijkheid moet er heersen: of het nu gaat om bedtijden, ontbijttijden of om het verschil tussen goed en kwaad. Soms zijn de ouders het niet met elkaar eens. Zoals vanmiddag. De kinderen wilden kastanjes zoeken op een fabrieksterrein waar nogal wat junks rondscharrelen. Mayke wilde er niets van weten. “Ik stel me dan teveel op als een kloek die bang is dat haar kinderen ook maar enig gevaar lopen, terwijl Ben ze de ruimte geeft. We praten daar nooit over in het bijzijn van de kinderen. Pas 's avonds na negen uur komt zo'n voorval aan de orde.”

Of de kinderen een paar van de huisregels kunnen opnoemen? Het is even stil in de achterkamer waar het gezin rond de tafel zit.

Noor (8): “Als er bezoek komt, moet de tv uit en dan horen we er netjes uit te zien.”

Vader: “Mayke en ik zijn allebei katholiek opgevoed en al praktizeren we niet meer, sommige uitgangspunten zijn nog steeds de onze.”

Moeder: “Verdraagzaamheid bijvoorbeeld.”

Vader: “En ontzag voor ouderen. Geen grote mond tegen oma en iemand die ze niet kennen wordt met u aangesproken.”

Liz (10): “Wilt ú kinderpostzegels kopen?”

Noor: “Hè moet dat?”

Moeder: “We hechten waarde aan sociaal gedrag.”

Noor: “Niet je zus in elkaar rammen bijvoorbeeld.”

Moeder: “We zijn ook kien op taalgebruik.”

Vader: “Ik vind dat ook niet klinken: een kind van acht dat kut roept.”

Noor: “Wat zei je daar?”

Liz: “Niet vragen om iets lekkers, maar wachten op je beurt.”

Moeder wijst naar Liz. “Daar noem je er zo een. Ik heb ze zaterdag proberen uit te leggen dat het heel frustrerend is wanneer je kinderen de hele dag om snoep zeuren. Dan kun je ze niet meer verrassen. Als ik zo'n probleem aan de orde stel, luisteren ze pas echt. De oplossing komt altijd na een periode van strijd.'

Noor: “Mam, mag ik een dropsleutel?”

Calculerende burger

Waar het idee van het verloederende gezin vandaan komt, weet Piet van den Akker, socioloog aan het Tilburgse Instituut voor Arbeids- en Gezinsvraagstukken, ook niet. Het gaat juist beter dan ooit. “Tot ver in de jaren zestig was de relatie die ouders met hun kinderen onderhielden dikwijls een materiële gezagsverhouding. De zorgen beperkten zich tot de nieuwe winterjas, terwijl de onderlinge band nu gepsychologiseerd is. Er is ruimte voor onderhandeling en kinderen kunnen argumenten aandragen. Ze zijn veel mondiger dan 25 jaar geleden en naarmate ze ouder worden en eigen inkomsten genereren blijkt er sprake van een gelijkwaardige discussie tussen de partijen.”

Het gezin is volgens Van den Akker juist de verlosser van de normen en waarden in verval. “Uit het scholierenonderzoek dat het NIBUD pas heeft afgerond, blijkt dat 85 procent van de respondenten erg gelukkig is. Ze vinden dezelfde dingen in het leven belangrijk als hun ouders, ze zijn volwaardige managers van hun eigen leven en lijken daar nog lol in te hebben ook. Schoolbuma's zijn het, schoolvoorbeelden van burgermannen. Steeds beter blijken ze in staat om in hun ouderlijk huis een eigen territorium te verwerven. Er wordt gecommuniceerd over morele kwesties, over financiën en over het evenwicht tussen vrije tijd en studie. Me dunkt dat het er in de meeste gezinnen heel redelijk aan toe gaat.”

De calculerende burger die alleen maar in termen van win-win-situaties en consumeren denkt, bestaat volgens NGR-pedagoog Peter Cuyvers helemaal niet. Dat is in zijn ogen een waanbeeld, dat politici koesteren om alles wat er in dit land verkeerd gaat te kunnen verklaren. “Naarmate het moeilijker is bestuurlijke greep op de samenleving te houden, groeit de behoefte aan een zondebok. Noch Heerma, noch het kabinet redeneren daarbij erg consequent. Stijgt de jeugdcriminaliteit, dan ligt dat aan 'normvervaging' in het gezin. Als dat waar is, hoe wil de overheid dat dan oplossen? Door op scholen een soort normcatechismus verplicht te stellen? Of ben je voortaan je paspoort kwijt als je een winkeldiefstal pleegt? Het is nogal contradictoir als je de gezinsmoraal wilt aanscherpen en tegelijkertijd de kinderbijslag verlaagt, of bijstandsmoeders dwingt om te gaan werken. Daarmee verhoog je de druk op ouders nog meer, terwijl ze juist praktische steun nodig hebben om de verschillende rollen te combineren.”

Voor een modaal gezin zoals dat van Ronald en Kitty Vogels is het gezinsleven het belangrijkst. Ze laten er veel voor; ze gaan nauwelijks nog naar een café of de film. Een zondagmiddag in het voetbalstadion is een wandeling door het park geworden. En als een belangrijk congres op dezelfde dag valt als het kinderpartijtje van Timo, dan kiest papa uiteindelijk toch voor het laatste.

“Als mensen zo massaal gericht zouden zijn op consumptie”, vraagt pedagoog Cuyvers zich af, “waarom nemen ze dan kinderen? Ze hebben meestal duidelijke opvoedkundige opvattingen voordat ze eraan beginnen. Gezinskarikaturen zoals het ouderwetse autoritaire en het anti-autoritaire regime bestaan nauwelijks meer. Niet alle kinderen zijn goed af, maar de meeste ouders maken een zorgvuldige pedagogische mix die op maat is gesneden voor hun kind.”

Kinderverzekering

Vier jaar geleden is Mayke Kuijpers met een deeltijdstudie Huishoudkunde begonnen aan de Katholieke Leergangen in Tilburg. “Omdat ik wist dat er meer in me zat. Ik moest en zou het uit mijn kop krijgen.” Ze werkt vier ochtenden en een middag, gaat een avond in de week naar school en moet om de twee maanden tentamen doen. Elke vrijdagmiddag knutselt ze bij Noor op de Montessori-school en leest ze de kleuterklas van Cleo voor. En als de kinderen 's middags thuiskomen, staat de thee klaar op de lange tafel in de speelkamer. Dan is het tijd voor de meisjesverhalen.

“Als ze het druk heeft, wordt mama gauw boos”, valt Noor op. Mayke knikt begrijpend. “Soms raak ik in paniek als ik achttien uur voor een tentamen moet studeren, terwijl drie van die makkertjes tegelijk van alles willen vragen. Wat voor trui ze morgen aanmoeten en wanneer ik meega naar de braderie. Ik besef dat ik met al mijn goede voornemens degene ben die onrust brengt. Ik leg een claim op hun tijd en doe voortdurend een beroep op de vrijheid die Ben me schenkt.”

Het is lang niet makkelijk om elke maandag te beginnen aan een werkweek die beheerst wordt door een deeltijdbaan, een zware opleiding en drie eigenwijze kinderen. De keuzemogelijkheden zijn de laatste decennia zo toegenomen dat de moderne zelfbewuste ouder het soms ook niet meer weet. Steeds vaker wordt de kinderpsycholoog geraadpleegd en elke bewuste ouder heeft tegenwoordig een rijtje pedagogen in de boekenkast staan. “Door hun grote keuzevrijheid zijn ouders onzeker geworden”, signaleert Hettie Pott-Buter, micro-econoom aan de Universiteit van Amsterdam. “Ze zijn bang hun positie op de arbeidsmarkt te verliezen als ze niet op volle kracht door blijven werken. Bovendien is het heel normaal dat ouders een fase in hun leven voor hun kinderen zorgen. Tachtig procent van de Nederlanders krijgt nog altijd gemiddeld 1,6 kind. Het zou niet gek zijn als ze voor voorlichting terecht konden bij een soort sociale ANWB.”

We moeten vooral aan de kinderen denken, vindt Pott. Het wordt tijd voor een kinderverzekering. Door de verlaging van de kinderbijslag en de afschaffing van kostwinnersarrangementen - belastingvoordelen voor kostwinners die ten goede kwam aan het gezin - is de automatische bescherming van kinderen tot een minimum gereduceerd. “Er zijn drie groepen in de samenleving die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien: de ouderen boven de 65 jaar, de arbeidsongeschikten, gehandicapten en de kinderen. De eerste twee categorieën zijn met de AOW en de AAW verzekerd tegen armoede en gebrek. Voor de derde groep is er alleen de kinderbijslag (AKW) en die dekt bij lange na niet meer de minimale levensbehoeften.

“De AKW zou moeten worden uitgebreid tot een algemene kinderwet, die behalve in de materiële kosten ook in de verzorging van tenminste het eerste kind voorziet. Dus ook kinderopvang en zwangerschaps- en ouderschapsverlof vallen eronder. De kinderen zijn zo gewapend tegen veranderingen die zich kunnen voltrekken in de leefeenheid, en ze worden niet de dupe van de werkdruk van hun ouders. Geef kinderen vanaf hun geboorte een sofi-nummer, zodat het systeem niet fraudegevoelig is.”

Timo Vogels mag tevreden zijn. Hij heeft alle letters van het Donald Duck-alfabet op zijn spelcomputer goed geselecteerd. Behendig dwalen zijn vingertjes over de toetsen van de PC. “Zoals hij zich nu ontwikkelt, is hij leuk bezig”, zegt vader Ronald. “Je weet niet waar het eindigt. Ik vraag me wel eens af of het financieel verantwoord is om drie of vier kinderen op te voeden. Hoe moet dat straks met de studiefinanciering? En bestaat er tegen de tijd dat je een vol huis hebt nog wel een kinderbijdrage?”

Eén ding weet hij zeker: “Als Timo universitair gaat studeren, zal ik dat betalen. Al moet ik me scheel lenen.”

    • Jutta Chorus