Blind-uh-darm

In 'Het geheim van de blind-uh-darm' (Z 7 oktober) gaan Liesbeth Koenen en Rik Smits in op de spellingaanpassingen die binnenkort van kracht worden.

Onder het kopje 'Trema en koppelteken' noemen de auteurs de regel dat het trema op de grens tussen de delen van een samenstelling wordt vervangen door een koppelteken. Het voorbeeld eende-eieren is echter fout, want volgens de regels van de tussenletters wordt het natuurlijk eendeneieren. Een koppelteken is dan niet meer nodig. Verder noemen Koenen en Smits luizebaan en hondeweer als voorbeelden van versterkende of waardebepalende delen die geen -n krijgen in de samenstellingen. De uitzonderingscategorie waarop zij doelen is echter beperkt tot samenstellingen die als geheel de waarde van een bijvoeglijk naamwoord hebben: beregoed, reuzeleuk. Woorden als luizenbaan, hondenweer volgen de hoofdregel en krijgen een -n, net als nu al het geval is met beestenweer. Ronduit kwalijk is de suggestie dat de Taaladviescommissie bij de formulering van de regels voor de tussenletters -e(n) haar opdracht te buiten zou zijn gegaan. Volgens Koenen en Smits schrijft het Spellingbesluit van 21 maart 1994 -en voor in alle samenstellingen waarvan het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat een meervoud op -en kán hebben. Daarom moest het, aldus de auteurs, volgens het ministerbesluit eigenlijk hoogtenvrees zijn. Maar in het besluit van 21 maart wordt over mogelijke meervouden alleen maar gesproken met betrekking tot woorden die niet op een stomme e eindigen. Voor de woorden die wel op -e eindigen, zoals hoogte, luidt de formulering dat de samenstelling geen -n krijgt als de kortste vorm van het eerste woord zelf op -e eindigt. Daarom was het ook toen al hoogtevrees, want hoogt bestaat niet. In hetzelfde besluit gaven de ministers de Taaladviescommissie de opdracht een definitieve formulering van de voorschriften voor te stellen. De Taaladviescommissie vond de notie 'kortste vorm' te lastig hanteerbaar. Niet alleen voor woorden die twee vormen hebben (weids en wei zou twee verschillend gespelde samenstellingen opleveren), maar ook omdat sommige woorden zonder e wel degelijk een bestaande kortere vorm opleveren (halte - halt) die door de Spellingcommissie niet was bedoeld. Daarom heeft de Taaladviescommissie een formulering voorgesteld die tot dezelfde uitkomsten zou leiden, maar zonder dat een beroep werd gedaan op het begrip 'kortste vorm'. Die formulering heeft de Taaladviescommissie gevonden in de meervoudsregel, al bleek een aanscherping van de oorspronkelijke formulering nodig om hem maximaal met de letter en de geest van het ministerbesluit te laten samenvallen. De 'moeiteloze handtekening' van de ministers is dan ook niet zo verwonderlijk.

Naschrift Liesbeth Koenen en Rik Smits: De eendeneieren zijn de briefschrijver gegund, maar verder niets, want hij kent zijn eigen stukken niet. De genoemde beperking van de uitzonderingscategorie is inderdaad in het proefhoofdstuk van de Leidraad terug te vinden, maar niet in het ministersbesluit van 21 maart, noch in dat van 24 oktober. Uit dat laatste, definitieve officiële besluit hebben wij nu juist de voorbeelden luizebaan en hondeweer met de bijbehorende regel overgenomen. Dat de Taalunie daarna op eigen houtje voor de Leidraad weer iets anders verzint, illustreert eens te meer hoe verbijsterend willekeurig zij met ministeriële besluiten omspringt, en hoe slecht de minister oplet. Wij hebben die laatste tournure niet vermeld, omdat we - naar nu blijkt ten onrechte - meenden dat het hier om een vergissing in een proefhoofdstuk ging, en niet flauw wilden doen. Het voorbeeld hoogtenvrees is door leden van de taaladviescommissie mondeling bij herhaling als reden gegeven voor het afzien van de notie kortste vorm, wat laat zien hoe onbruikbaar dit soort regels is. Ten slotte: dat de adviescommissie (terecht) de notie 'kortste vorm' onhanteerbaar achtte, geeft ze nog geen vrijbrief om de werking van de regel vrijwel om te draaien. Dat Van Hoorde het 'ronduit kwalijk' acht daarop te wijzen, laten we voor zijn rekening.