Beredeneerde snoei

In de zestiger jaren van de 19e eeuw was het denkbeeld van leifruit in België zo populair geworden dat serieus werd overwogen een haag ervan te planten aan weerskanten van de spoorweg tussen Brussel en Leuven. In het boek van Wybe Kuitert en Jan Freriks, Hovenierskunst in Palmet en Pauwstaart, staat een gravure daterend uit de tijd van dit adembenemende project; van rechts nadert een stoomtrein, links zijn twee vrouwen vruchten aan het plukken en op de voorgrond staan een paar tweedimensionale appelboompjes, liefdevol getekend en overladen met ooft als in de Hof van Eden. Het vereist veel snoeien om zulke leibomen in goede staat te houden; het zou de snoeiers vermoedelijk vergaan als de glazenwassers van een wolkenkrabber: zodra ze klaar waren met snoeien van Brussel tot Leuven zouden ze de baan over moeten steken en hun weg weer terug knippen naar Brussel.

Deze bomen hadden dan gesnoeid moeten worden volgens het systeem van de 'taille raisonnée', de beredeneerde snoei, een manier om fruitbomen te snoeien ten dienste van het menselijk gerief, ontwikkeld uit het systeem gebruikt door La Quintinye, de opzichter over de tuinen van Lodewijk XIV in Versailles. 'De beredeneerde snoei' is, kort gezegd, er op gericht een boom niet vrij te laten groeien en vervolgens te snoeien, maar van jongs af aan elke tak met een voorbestemde functie op te kweken. Al redenerend bouwde de tuinman, jaar in jaar uit, een in vorm geleid frame van hoofdtakken, de zogenaamde gesteltakken. Hierop werd het bloesemhout en dus het vruchthout opgekweekt, dat ieder jaar weer door snoeitechniek werd vernieuwd.

Sommige mensen lijken instinctief te weten hoe je bomen moet snoeien; anderen bestuderen in paniek telkens opnieuw de stap-voor-stap-instructies alvorens onherstelbare schade aan te richten door gedecideerd op de verkeerde plek te knippen. Zo'n uitleg is duidelijk genoeg, zelfs voor de volstrekte leek, maar er zit meer aan vast: beredeneerde snoei veronderstelt ook een rationele vorm en dat op zijn beurt een gerationaliseerde sapstroom naar de juiste delen van de boom. Geen wonder dat de auteurs het snoeien op een zeker moment vergelijken met loodgieterswerk. Mij persoonlijk treft het als een typisch Franse 'rigueur', herinnerend aan de moeilijkheden (vroeger, nu niet meer) om in dat land alle benodigde verblijfspapieren te krijgen: één bagatel niet in orde en je moest weer helemaal van voren af aan beginnen.

Die beredeneerde vormen zijn overigens wel een lust voor het oog: 'palmet', 'kandelaber', 'snoer' in verschillende soorten, 'hooihark', etc. De pauwstaart, een geliefde Hollandse vorm, is niet beredeneerd en dat heeft voordelen, wat 'men kan bij deze vorm altijd een tak bijbuigen en een lege plek waar een tak afgestorven is, weer vullen.'

Bomen in deze vreemde vormen snoeien is niet ieders werk, zoals de schrijvers tonen aan de hand van een foto van C. de Wilde, tuinopzichter van Huis te Manpad. Hij was beroemd om zijn leibomen, sommige in practische patronen maar andere minder practisch ('in fantasij, ja, eene tafel met vier stoelen er rond, dat alles uit leevende en met botten beladen boomen gevormd'); als je de foto nauwkeurig bestudeert zie je dat 'De Wilde de minder geslaagde delen van zijn leibomen voor de fotograaf met zijn eigen lichaam afdekt.'

Deze gecompliceerde - sommigen zeggen gekwelde - creaties gaan terug op de oorspronkelijke gedachte van fruitbomen plat tegen een muur te planten die als windkering dienst deed, en bovendien zonnewarmte opzamelde die 's nachts geleidelijk weer werd afgestaan. Fruitmuren waren geliefd in de 17e en 18e eeuw, hetgeen het gevolg zou kunnen zijn, aldus de schrijvers, van de behoefte aan extra warmte tijdens de zogenaamde 'kleine ijstijd' in die periode. Lange slingerende slangemuren werden gebouwd om vruchtbomen tegenaan te zetten, sommige ervan bestaan nog steeds.

De meest geliefde vrucht schijnt altijd de peer te zijn geweest. In Versailles was dat omdat de gebitten van de hovelingen niet bestand waren tegen de harde appels (ook appelcultivars uit de 17e eeuw zijn blijkbaar aan de zachte kant); een populaire peer was de 'Cuisse Madame'. In de 19e eeuw was er een uitbarsting van 'peromanie', en pomologen (pomologie is niet appelspecialisme maar de kennis van fruitbomen in het algemeen) als Jean-Baptiste van Mons in België hadden meer dan 800 soorten in hun tuinen. Afwijkingen, zoals een gestreepte versie van de 'Bonne Louise d'Avranches', werden voorzichtig doorgeteeld en geïllustreerd met recente technieken als de kleurenlithografie in de nieuwe pomologische tijdschriften. Het was een ware manie, vooral in België, waar 'de beredeneerde snoei zelfs als heilzaam en opvoedend [werd] gezien'.

Wanneer je leest dat er in Frankrijk twee elkaar beoorlogende scholen van fruitboomsnoei bestonden - een in Versailles en de andere luttele mijlen daarvandaan in de Jardin du Luxembourg in Parijs - dan is het nauwelijks verwonderlijk dat er verschillen van mening hebben bestaan tussen België en Nederland. De Belgen probeerden de Nederlanders te bekeren; de oude Boskoopse vormen waren in hun ogen eenvoudig verkeerd. Een fanatiekeling ging zelfs een weddenschap aan dat hij een beredeneerde perzik kon kweken die na vijf jaar productiever zou zijn dan een ouderwetse Boskoopse waaier. Over deze wetenschappelijke weddenschap werd nooit meer iets vernomen, maar naar het schijnt is de groei van perziken in Holland 'wisselvalliger' dan in België.

Maar de 'snoeimanie' bereikte onafwendbaar ook Nederland, en was aan het begin van deze eeuw heel populair geworden, in weerwil van protesten dat het 'niets anders [was] dan een uitvloeisel van de mode'. Tot in de jaren '50 werd fruit nog commercieel op leibomen gekweekt. Maar deze vereisten teveel werk en specialistische kennis; nu is het al zover dat appels meteen uit de stam groeien, er hoeft niet te worden gesnoeid, laat staan beredeneerd.

Maar een uitgestorven kunst is het nog niet helemaal. En alvorens te schrijven dat ze geen 'nieuwe aanplanten van vrijstaande fruithagen' hebben gevonden zouden de auteurs eens een kijkje moeten nemen in de buurt van mijn volkstuincomplex. Recht tegenover mijn tuin is een prachtige gemengde rij appel- en perebomen, vier jaar oud, gesnoeid tot wat volgens het boekje een palmet met horizontale takken moet zijn, een levende haag vormend langs de sloot. Het is mooi als het kaal is, mooi als het in bloei staat en het was ook weer heel mooi een paar weken geleden, totaal overladen met vruchten.

    • Sarah Hart