Achterstand plaagt Japans bankwezen

TOKIO, 21 OKT. In de internationale financiële wereld bestaat wantrouwen ten opzichte van de Japanse banken. Een wantrouwen veroorzaakt door de oninbare leningen en versterkt door het recente schandaal rond het filiaal in New York van de Daiwa Bank. “Er moeten snel stappen worden ondernomen om aan de eisen van deregulering en globalizering van deze tijd tegemoet te komen”, schreef de krant Yomiuri Shinbun deze week in een redactioneel commentaar. Het beleid van het Japanse ministerie van financiën staat ter discussie.

Het ministerie van financiën is een zeer machtig instituut. Zijn macht is gebaseerd op de Bankwet die in 1928 werd opgesteld nadat een groot aantal banken failliet was gegaan. De strategie die het ministerie sindsdien hanteert om een herhaling van die tragedie te voorkomen staat bekend als de 'convooi formule': de hele financiële wereld moet zich aanpassen aan het langzaamste schip in het convooi.

De financiële wereld was sterk gereguleerd. “Tot tien jaar geleden hoefden bankiers alleen maar achterover te leunen om het geld binnen te zien komen. Het ministerie stelde de rente vast die zij mochten berekenen, dus werkelijke concurrentie was er niet”, aldus Toru Nakakita, hoogleraar economie aan de Toyo Universiteit in Tokio.

In 1983 werd onder druk van de Verenigde Staten een gemeenschappelijke commissie in het leven geroepen om hervormingen te bewerkstelligen. In Japan refereerde men aan de commissie als het 'zwarte schip', een verwijzing naar de Amerikaanse zwarte schepen van Commodore Perry die in 1853 de opening van Japan voor buitenlandse handel afdwongen.

De belangrijkste liberaliseringen die Japan in de tweede helft van de jaren tachtig heeft doorgevoerd zijn het vrijgeven van de rente en van de handel in obligaties. “Maar ook al is er een liberalisering van de markt, het ministerie en de banken passen zich in hun denkwijze niet aan. De banken hebben geen internationaal concurrentievermogen zoals de Japanse industrie. Internationaal lijden ze dan ook nederlaag op nederlaag”, aldus Nakakita. De enorme balanstotalen van de grootste Japanse banken staan dan ook niet in verhouding tot de omvang van hun rol in het internationale bedrijfsleven.

Ook verandert de markt door de ontwikkeling van nieuwe produkten zoals opties en futures. “Japan loopt achter”, stelt Kenji Umeda, optiehandelaar bij Hirota Securities in Tokio. “Het zijn de buitenlandse handelaren die deze markt leiden. Weinige van mijn klanten begrijpen de handel in futures en opties. En dit geldt ook voor de oudere handelaren zelf: De mensen die aan de top staan.”

In deze gewijzigde omstandigheden is het nog steeds de convooi-strategie die ten grondslag ligt aan het beleid van het ministerie van financiën: de garantie van het voortbestaan van alle Japanse financiële instellingen.

Het ministerie maakt echter de banken collectief medeverantwoordelijk voor deze strategie. “Het beschermen van alle banken is onmogelijk”, stelt Toru Nakakita. “Liberalisering wil zeggen dat banken zonder de juiste kennis en capaciteiten ook failliet moeten kunnen gaan. Men moet beginnen aan een werkelijke liberalisering. Het oude systeem functioneerde voor de wederopbouw van Japan en de oude generatie leeft nog met dit succes in gedachten.”

Pag.14: 'We moeten maatstaven VS overnemen'

De strategie van het ministerie is er voor verantwoordelijk dat alle Japanse banken op de kapitaalmarkt in Londen een 'Japan Premium' betalen. Een opslag van 0,28 procentpunt ten opzichte van andere leners op de markt. De voorzitter van de Japanse Federatie van Banken, Toru Hashimoto, stelde deze week: “Als deze situatie lang voortduurt wordt het een probleem.”

“Banken die wel een gezonde boekhouding hebben, zouden willen ontsnappen aan de verantwoordelijkheid die het ministerie oplegt, maar kunnen niet wegens zijn macht.” aldus Kazihiko Ogata, analist bij het effectenhuis Jardine Fleming.

De macht van het ministerie is gebaseerd op de Bankwet. Een wet die niet erg expliciet is, zodat het ministerie veelal via bestuurlijke richtlijnen regeert. Deze werkwijze is zo ondoorzichtig dat het banken ertoe heeft gebracht bij het ministerie 'contactpersonen' te plaatsen. Deze jonge en hooggekwalificeerde werknemers brengen hun dagen permanent door op het ministerie en moeten de relatie tussen bank en ministerie soepel laten verlopen.

De aanwezigheid van deze contactpersonen op het ministerie heeft nog een ander bijeffect. Het ministerie voert zo'n eens in de twee jaar controle bij de banken uit. Een onderzoek dat naar verluidt berucht en gevreesd is. Inspecteurs verschijnen onaangekondigd bij een instelling en hebben het recht op inzage in alle boeken. Gedurende deze periode wonen ze bijkans op de onderzochte instantie. De eerdergenoemde contactpersonen kunnen echter door goede relaties op het ministerie zeer wel te weten komen wanneer hun instelling voor inspectie aan de beurt is.

Zoals de Yomiuri in het eerder genoemde hoofdartikel schrijft: “De Japanse autoriteiten voeren controles uit vanuit de veronderstelling dat de verantwoordelijken vertrouwd moeten worden. In de Verenigde Staten benadert men de onderzochte instelling met wantrouwen.”

Een tweede kanttekening bij de inspecties is dat de ambtenaren op het ministerie van financiën grosso modo juristen zijn. Het ministerie van financiën is de meest prestigieuze werkgever van Japan en trekt studenten van de hoogst aangeschreven faculteit, de rechtenfaculteit, van de meest prestigieuze universiteit van Japan, de Universiteit van Tokio. De inspecteurs zijn dus geen financiële experts.

“De financiële handel wordt steeds geavanceerder, er is een grote verfijning van produkten, er is globalisering, het is onmogelijk dat de juristen van het ministerie daar werkelijk controle op kunnen uitvoeren.”, aldus Nakakita, hoogleraar economie.

Het voortduren van de onzekerheid over de precieze omvang van de oninbare kredieten bij de banken - allemaal nog het gevolg van de speculatieve 'luchtbeleconomie' van de jaren tachtig - en het laatste schandaal bij de Daiwa Bank leiden echter tot steeds meer discussie in Japan. De omvang van de slechte kredieten - schattingen gaan van 400 tot 800 miljard dollar - wordt in Japan overigens geenszins als onoverkomelijk gezien, zeker gezien de grootte van de Japanse economie. Het deze week naar buiten gekomen hulppakket van de Federal Reserve (het Amerikaanse stelsel van centrale banken), waarover volgens Amerikaanse bronnen een akkoord is bereikt met de Japanse centrale bank, was in Japan nauwelijks nieuws.

De discussie over het Japanse beleid ten aanzien van het eigen bankwezen vindt ook plaats binnen het overheidsapparaat zelf. Nakakita: “De jongere generatie, ook op het ministerie en bij banken, realiseert zich dat de wereld is veranderd. Dat de oude methodes niet meer werken en ook Japan moet veranderen. Ik merk dat omdat men mij heeft uitgenodigd voor een studiegroep op het ministerie van financiën. Het ministerie dat ik verafschuw.”

“Het probleem is dat men in die organisaties de hervormingsdrang moeilijk openlijk naar buiten kan brengen. Een meningsverschil met eigen senioren ligt erg gevoelig. Daarom gebruikt men buitenlandse druk om veranderingen door te voeren: Bij kritiek kan men doorverwijzen naar het buitenland en de roep om veranderingen rechtvaardigen door te wijzen op de veranderde internationale omstandigheden.”, aldus Nakakita.

In de pers neemt men echter geen blad voor de mond. Het eerder aangehaalde redactioneel commentaar van de Yomiuri stelt: “Japan moet de Amerikaanse maatstaven overnemen. Autoriteiten moeten hun rol beperken in overeenstemming met internationale maatstaven en de waardering van het functioneren van banken aan de markt overlaten.”

    • Hans van der Lugt