Voldaan haalt Nordholt zijn gelijk bij Van Traa

DEN HAAG, 20 OKT. Aan het eind van de tunnel zal volgens de Amsterdamse hoofdcommissaris E. Nordholt licht gloren. Als de commissie-Van Traa haar werk af heeft, als zij “heeft aangegeven hoe de werkelijkheid in elkaar zit”, dan zullen de verstoorde verhoudingen tussen de politiekorpsen van Amsterdam, Utrecht en Haarlem vanzelf verdwijnen en wordt de IRT-affaire eindelijk afgesloten, zo hield Nordholt donderdag de enquêtecommissie opsporingsmethoden voor.

Er schoof gisteren geen vergevingsgezinde korpschef aan bij de commissie-Van Traa. Hij was gekomen om zijn gelijk te halen; het gelijk dat hij vorig jaar van de commissie-Wierenga niet kreeg. Die had hem neergezet als een van de hoofdschuldigen van de IRT-affaire. De methode die het IRT Noord-Holland/ Utrecht had gehanteerd was “niet onrechtmatig”, oordeelde Wierenga, en de ontbinding van het IRT schreef de commissie vooral op het conto van Amsterdam, omdat daar de wil tot samenwerking met andere korpsen ontbrak.

Sindsdien werden de verhoudingen in het opsporingsapparaat danig op de proef gesteld. Nordholt moest het gisteren beamen. Hij en zijn Haarlemse collega Straver, die eerder deze week vertelde dat zijn korps door Amsterdam is 'gecriminaliseerd', “zijn hele goede vrienden geweest”, vertelde Nordholt. “De situatie nu is niet goed. Het is niet prettig. Ik hoop dat het herstelt zodra uw commissie de waarheid op tafel heeft gelegd.”

En die waarheid, zo vertelde een weinig ontspannen Nordholt (in politiekostuum, armen strijdbaar over elkaar), zal een exacte kopie zijn van de zaken zoals hij ze eind 1993 al voorstelde toen hij bij de ministers van justitie en binnenlandse zaken de werkmethode van het IRT ter discussie stelde. Eigenlijk, vertelde hij de commissie, is hij altijd een tegenstander van infiltratie geweest. Het werkt corruptie in de hand. Maar wat hij destijds over de IRT-methode hoorde vond hij “bizar” en “verbijsterend”. De “duizenden kilo's soft drugs” die het team het land binnenbracht, de “bestelling van 5.000 kilo coke”, de informant die “zijn geld mocht houden en schatrijk” werd - dat waren de redenen om zijn tweede man Van Riessen november 1993 de opdracht aan de CID Haarlem (die de informant begeleidde) te laten geven dat het onderzoek moest worden stopgezet.

Dat er niettemin een affaire kon ontstaan lag, zo meldde Nordholt, in de eerste plaats aan de Amsterdamse procureur-generaal R. van Randwijck. Deze was volgens hem niet in staat gebleken de onenigheid binnen het ressort op te lossen, nadat de Amsterdamse hoofdofficier van justitie Vrakking er zijn collega-hoofdofficieren vergeefs van had geprobeerd te overtuigen dat de politie een “drugslijn” runde en dat dit ontoelaatbaar was.

De verhouding van Nordholt met Van Randwijck zakte naar een dieptepunt toen de procureur-generaal begin 1994 een onderzoek van de rijksrecherche uitschreef naar aanleiding van de beschuldiging van korpschef Wiarda uit Utrecht dat het IRT was ontbonden wegens corruptie bij de Amsterdamse politie. Nordholt vond het onbestaanbaar. “Van Randwijck wist als geen ander dat die beschuldiging niet klopte. Daarom heb ik hem gezegd: dit onderzoek is onjuist. Maar als je het per se wil beleg ik een persconferentie, dan is het oorlog en haal ik alle stront naar boven”, vertelde Nordholt. De commissie, die de hoofdcommissaris het recordverhoor van 2,5 uur afnam, wilde weten of dit incident iets zegt over Nordholts verhouding tot “het gezag”, zoals Van Traa het noemde. Eerder had de Amsterdamse korpschef in zijn verhoor verklaard dat hij leiding door het openbaar ministerie altijd heeft geaccepteerd. “Maar met dit gezag had ik moeite. Dat is me in mijn 36 jaar bij de politie maar één keer overkomen.” De verhouding met de procureur-generaal is nog altijd beneden peil, bevestigde Nordholt. “Ik heb hem weinig meer gezien.”

Tijdens zijn verhoor kwamen wel meer punten naar voren die wijzen op Nordholts moeizame relatie met personen die boven hem staan in de hiërarchie. Of hij alsnog infiltratie en het doorleveren van drugs als opsporingsmethoden zou uitvoeren als het openbaar ministerie die methoden goedkeurt? “Dan treed ik af.” En of minister Van Thijn van binnenlandse zaken nog klachten had toen hij met Nordholt vorig jaar na het rapport-Wierenga een functioneringsgesprek voerde? “Ik had geen klachten over de heer Van Thijn”, zei hij zonder blikken of blozen.

Veel lessen hoefde Nordholt kortom niet uit de IRT-affaire te trekken. Slechts het persbericht dat op 7 december 1993 de opwinding in gang zette was een foutje - een “mal” produkt, beaamde hij. En de overdracht van het IRT van Utrecht naar Amsterdam, medio 1993, was slecht geregeld, “maar dat is de verantwoordelijkheid van ons allemaal”. Verder zijn “àlle conclusies van de commissie-Wierenga over mij onjuist”.

Tevreden keek de Amsterdamse hoofdcommissaris om zich heen. De publieke tribune zat bomvol en in de bankjes van de Eerste Kamer volgden zijn ondergeschikten ademloos het verhoor. Zijn gedoodverfde opvolger Kuiper, hoofd justitiële bedrijfsvoering Van Riessen, woordvoerder Wilting en vakbondsman Bult: ze glommen van oor tot oor. De commissie wilde nog weten of haar eindrapport straks niet opnieuw als splijtzwam in de Nederlandse politie zal fungeren - net als het rapport-Wierenga. Heeft het 'doorzieken' van het conflict binnen de politie Nordholt tot bescheidenheid gebracht?

“Mijnheer Van Traa, ik heb op u gewacht. Hier kan ik mijn verhaal houden. We moeten deze stormen doorstaan. Als u uw werk hebt gedaan, moet het mogelijk zijn om een streep te trekken.”

    • Marcel Haenen
    • Tom-Jan Meeus