Vlak voor er iets gebeurt; Mauritshuis toont doeken uit privé-collecties

Het Mauritshuis in Den Haag toont werk van zeventiende-eeuwse schilders uit collecties van particulieren, dat slechts zelden te zien is. Er hangen stillevens en drukke ijsgezichten, maar vooral ingetogen landschappen en interieurs: “Wat is toch het geheim dat juist dat soort schilderijen, waarop nauwelijks mensen voorkomen, tot de beste behoren?”

Uit de schatkamer van de verzamelaar. Hollandse 17de-eeuwse meesters uit Nederlands particulier bezit. Catalogus, Mauritshuis t/m 7 jan. ƒ 27,50

Van de miljoenen schilderijen die in de Gouden Eeuw in Nederland vervaardigd zijn, is maar een klein gedeelte bewaard gebleven. Het grootste gedeelte daarvan - en dat betreft vooral kwalitatief goed werk-, bevindt zich in openbare collecties. Een ander deel zwerft over de aardbol van veiling naar privé-eigenaar en vandaar weer naar de kunsthandel en zo eindeloos rond tot soms een werk definitief in een museum belandt: de laatste en openbare rustplaats. De werken in particulier bezit zijn slechts bekend in kleine kring. Een enkele keer krijgt men een glimp te zien van wat er bij particulieren of in de handel nog moet zijn. Dan hangt een werk als bruikleen op een tentoonstelling, of het wordt getoond op een kunstbeurs of op een veiling. Soms is er een hele expositie gewijd aan kunst uit particulier bezit. Dat was het geval in 1982 bij de tentoonstelling Terugzien in bewondering in het Mauritshuis waar honderd Nederlandse zeventiende-eeuwse schilderijen voornamelijk uit particulier bezit hingen.

De tentoonstelling Uit de schatkamer van de Verzamelaar, zojuist geopend op dezelfde plaats, is met zijn 35 schilderijen uit ruim 20 particuliere collecties, bescheidener van omvang, maar ademt dezelfde geest: werk van hoog niveau dat men zelden of nooit ziet. Deze expositie biedt niet een doorsnee van 'de Hollandse schilderkunst'. Een aantal genres is vertegenwoordigd, zoals het landschap, het zeegezicht, het stilleven, het ijsgezicht en het portret, maar bepaalde onderwerpen ontbreken omdat particulieren die nu eenmaal minder in bezit hebben. Een genre dat men niet zo gauw bij particulieren aantreft is het historiestuk, het schilderij met een voorstelling uit de klassieke mythologie, uit de bijbel of uit de vaderlandse geschiedenis. Die werken zijn niet gewild omdat ze vaak zo omvangrijk zijn, maar ook omdat het onderwerp niet meer herkenbaar is en daarom niet aanspreekt. Ook portretten van onbekenden en van minder vooraanstaande kunstenaars liggen niet goed in de markt. Toch hangen er in Den Haag twee portretten. Dat is niet vreemd omdat ze van beroemde schilders zijn en omdat een van de voorgestelden geïdentificeerd is. Het ene is een meesterlijk snel, bijna haastig geschilderd conterfeitseltje van een onbekende man door Frans Hals. Het andere portret stelt Willem Jansz. Blaeu voor, de grote uitgever en cartograaf, geschilderd door Thomas de Keijser, de meest gewilde portrettist in Amsterdam voor Rembrandt zich daar vestigde.

Stillevens zijn lang ondergewaardeerd en zelfs ongewenst geweest, maar de laatste vijftien jaar is daar zoveel over gepubliceerd en zijn er zoveel tentoonstellingen aan gewijd dat ze nu zeer begeerd worden. Behalve de minder opgewekte uitvoeringen binnen dit genre zoals al te sombere memento mori's en stillevens met vis. Die staan niet zo gezellig in de huiskamer.

Gekraakte noten

In het Mauritshuis hangen zes stilleven die elk in hun verscheidenheid een andere fase uit de schilderkunst vertegenwoordigen. De vroegste zijn boeketten. Een van Jacob de Gheyn uit 1613 en een uit 1622 door Balthasar van der Ast. Kleurige minutieus geschilderde ensembles. In de hieropvolgende periode maakte de Nederlandse schilderkunst de zogenoemde 'tonale fase' door. Men schilderde monochroom, dat wil zeggen met een beperkt palet, vooral in grijzen en bruinen. In die fase schilderde Willem Claesz. Heda een van zijn 'banketjes' uit 1633. De tafel met daarop een roemer, een omgevallen zilveren drinkbeker, tinnen schalen, olijven, citroenen en wat gekraakte noten, alles gevat in een grijsbruin licht. Enkele decennia later schilderde Abraham van Beyeren een pronkstilleven dat in formaat en volheid geheel gebroken heeft met die vroegere soberheid. Het stelt een overladen tafel voor vol fruit, vlees, oesters, bokalen en glas. Aan het eind van de eeuw is er een schilder die weer terugkeerde naar de eenvoud: Adriaen Coorte. Van hem hangen er twee kleine pendanten: een aardewerken potje met aardbeien en kruisbessen en een bundeltje asperges met rode bessen.

De keuze op deze tentoonstelling is vooral gevallen op kleinere formaten en op een zekere ingetogenheid. Het merkwaardige is dat het meest opdringerige schilderij juist een stilleven is, dat van Van Beyeren. De meest lawaaierige voorstellingen, een ijsgezicht van Berent Avercamp en een gezellige feestpartij door de broer van Frans Hals, Dirck, zijn weer bescheiden van formaat.

Alle schilderijen op deze tentoonstelling vallen binnen de canon van erkende meesters. Uitschieters binnen een oeuvre, onverwachte onderwerpen, excentrieke schilders hangen er niet bij. Of het moeten de twee Jan Steens zijn, een schots en scheef geportretteerd rederijkersgezelschap en een innemende tekenles, waar een leerling door de meester verbeterd wordt. Het is een keurige selectie. Waarschijnlijk representatief voor wat particulieren bezitten, maar zeker niet voor wat er ooit gemaakt is.

Het schijnt dat beginnende verzamelaars vooral schilderijen begeren, waar wat op gebeurt, die duidelijke actie weergeven, gezelschappen, scheepsgevechten of vrolijke ijsgezichten. Het stelt wat voor: in aantal figuren, in herkenbaarheid van handelingen en vaak ook in formaat. Pas na een lange tijd kan een verzamelaar ontdekken dat ook schilderijen zonder verhaal iets kunnen voorstellen, of dat die zelfs meer kunnen uitbeelden, namelijk het ongrijpbare, een atmosfeer, een kort moment. De tentoongestelde werken zijn alle ongeveer de laatste tien jaar verworven. Een minderheid is wat ik maar zal noemen 'anekdotisch'. Op een meerderheid gebeurt niets: een rivier met wat koeien, een kerkinterieur, een tafel met wat tafelgerei, een kerkinterieur. Wat is toch het geheim dat juist dat soort schilderijen, waarop nauwelijks mensen voorkomen, tot de beste behoren? Het moet te maken hebben met de suggestie. De suggestie van een vastgehouden ogenblik. Het zijn altijd verbeeldingen van een moment. De werkelijke handeling wordt niet verricht door mensen maar door het licht.

Loom loeien

Dat is bijvoorbeeld tot in alle details voelbaar op een klein rivierlandschap van Jan van Goyen. De horizon is extreem laag. Tegen de bewolkte lucht, in het avondlicht, steken wat molens af, een kerktorenje hier en daar en de masten en zeilen van een paar scheepjes. Op de voorgrond worden in een drassig weitje, wat koeien gemolken; twee schuitjes bevolkt door gebogen figuren rommelen wat op het water. Verder gebeurt er niets. Maar het is wel dat ene moment vlak voor er iets gebeuren gaat: de zon komt nog even door, een koe zet het op een loom loeien, een kerklokje tingelt zeven slagen. Het is de geschiedenis van een moment. Zoiets, maar dan in een heel andere omgeving ziet men ook op de twee schilderijen van Emanuel de Witte, voorstellende het interieur van de Oude Kerk in Amsterdam. De machtige zuilen, de ramen, de bogen, de zerken en de mensen in de kerk, het is allemaal vakkundig schijnbaar exact documentair weergegeven. Maar de kracht van deze schilderijen is dat De Witte zo mooi de brokken binnenvallend licht heeft weergegeven. Ook die lichtval bestaat maar een moment en is het volgende ogenblik anders, of geheel verdwenen. Dat op een van die kerkinterieurs een herkenbaar gezin is weergegeven en dat dat gezin op een ander schilderij van De Witte is geportretteerd met op de achtergrond weer een interieur van diezelfde Oude Kerk is een aardige bijkomstigheid.

Aan diezelfde wet van het geschilderde moment beantwoorden andere schilderijen. Zo is er het ijsgezicht door Salomon van Ruysdael. Ook hier weer een lage horizon, een ijsvlakte met sleeënde en schaatsende figuren, een boerderij, een stadje in de verte en daarboven een dungeschilderde onmiskenbare blauwe Hollandse vrieslucht. En al verandert Nederland in hoog tempo nog steeds is te zien wat De Vlieger, Van de Velde, Van Goyen, Hobbema en Ruysdael hebben waargenomen. In een weiland, aan een rivieroever, aan het strand, in een kerk en op een door daglicht beschenen tafel met een porseleinen kommetje, een mes en een handvol noten.